In de katholieke eredienst vieren de gelovigen de opdracht van Jezus in de tempel van Jerusalem, waarbij de oude Simeon bidt:
‘Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd, dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël.’
Een en ander gebeurt in de context van het Joodse reinigingsritueel. Vrouwen werden tijdens en tot 40 dagen na de bevalling als onrein beschouwd. In die periode was seks streng verboden.
Na het reinigingsritueel in de tempel, mocht het weer.
Vandaar de volksspreuk: “Er is geen vrouwtje nog zo arm, of ze maakt met Lichtmis haar pannetje warm.”
Sta me toe dit niet verder uit te werken.
De tekst komt uit het evangelie van Lucas.
Lucas was een arts, Griek – geen Jood. Hij was een volgeling van de apostel Paulus. In de kring van de apostelen waren er die vonden dat de boodschap van Jezus enkel voor het eigen Joodse volk bedoeld was. Paulus wilde die boodschap ook verkondigen aan de niet-Joden, de “heidenen”.
In dit verhaal speelt Lucas in op deze tegenstelling binnen de groep van eerste christenen.
In het kernzinnetje van dit verhaal stelt hij zich duidelijk aan de kant van Paulus: licht voor de heidenen. Maar hij benadrukt evenzeer dat Jezus ook voor de Joden gekomen is. Dat doet hij door het verhaal te situeren in de tempel van Jerusalem waarbij hij herhaaldelijk wijst op het volgen van de Joodse wet. Hij heeft het over de Wet van Mozes en over de Profeten, twee belangrijke boeken in het Oude Testament en de protagonisten zijn twee oude mensen.
In die Oudtestamentische context wordt het licht voor de wereld ontstoken.
Je kan dit verhaal ook situeren in de cyclus rond Kerstmis. In Bethlehem toont Jezus zich in de eerste plaats aan de herders, de armen en uitgestotenen. Daarna aan de drie koningen, rijken en intellectuelen; maar die zijn snel terug weg. Bij lichtmis komen de Oudtestamentische Joden en daarna de heidenen – wij – aan de beurt.
Het thema van het licht is universeel je vindt het ook terug in het Hindoeïsme, het Boeddhisme, de Islam …
Dat licht voor de wereld wordt gesymboliseerd door de kaars.
Ik heb hierover al gemediteerd in mijn blog van 8 december.
Een kaars ! Waarom niet de zon ?
Een kaars moet je aansteken. Je kan ze ook doven. Haar licht is bescheiden. Het dringt zich niet op.
In het evangelieverhaal van Lichtmis blijven we in de kerstsfeer: het gaat nog altijd om een baby, totale onmacht. Een baby kan niets eisen. Hij is totaal afhankelijk. En toch gaat er een ongelooflijk krachtige oproep van uit. Een oproep om bemind te worden.
Wij kunnen die oproep horen of weigeren om hem te horen. Wij kunnen de kaars aansteken of niet.
Jezus, het licht van de wereld, is van ons afhankelijk.
Steek vandaag dan toch maar een kaars aan, en bedenk terwijl je dat doet dat je geroepen bent om jouw kleine lichtje in de wereld te brengen.
Deze wereld heeft het groot nodig.
En voor de vrouwen onder jullie: maak je pannetje warm !
Lucas 2, 22-40
Toen de tijd aanbrak, waarop zij volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden, brachten zij het kind naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen, 23volgens het voorschrift van de Wet des Heren: Elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, en om volgens de bepaling van de Wet des Heren een offer te brengen, namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven. Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon, een wetgetrouw en vroom man, die Israëls vertroosting verwachtte en de heilige Geest rustte op hem. Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest dat de dood hem niet zou treffen, voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd. Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen. Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten, om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen, nam ook hij het kind in zijn armen en verkondigde Gods lof met de woorden: ‘Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd, dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël.’ Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd. Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit en hij zei tot Maria, zijn moeder: ‘Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.’ Er was ook een profetes, Hanna, een dochter van Fanuël uit de stam van Aser. Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij zeven jaren met haar man geleefd. Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar. Ze verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht door vasten en gebed. Op dit ogenblik kwam zij naderbij, dankte God en sprak over het kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten. Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden, keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug. Het kind groeide op en nam toe in krachten; het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem.