Keer de soap de rug toe. Word volgeling

Ik ben een volgeling. Daarmee loop ik voorop.

De wereld is om soap. Mensen zien geen toekomst meer, juist omdat ze geen volgelingen zijn. Of liever: omdat ze niet de juiste volgen.

In de bijbellezing van vandaag noemt Petrus Jezus “de Gezalfde van God. Jezus zelf noemt zich “de Mensenzoon” en kondigt zijn lijden, sterven en verrijzen aan. Wie zijn volgeling wil zijn moet net zoals Jezus bereid zijn om zijn kruis op te nemen.

Natuurlijk is de uitspraak waarin Jezus zijn lijden en verrijzenis aankondigt in de evangelische boodschap geslopen nàdat de apostelen tijdens de Pinkster-ervaring een manier hadden gevonden om om te gaan met wat hun Jezus en henzelf was overkomen.

Maar op zich is dit weinig relevant.

Wel relevant is het antwoord dat deze passage biedt op de vraag: wat betekent het om volgeling van Jezus te zijn ?

Petrus noemt Jezus de Gezalfde van God.

De zalving is in vele culturen een “aanstelling”. In de bijbel wordt iemand door een zalving tot koning, priester, profeet benoemd. Hij krijgt een opdracht.

Bij de oude Grieken werden de atleten voor een wedstrijd “gezalfd” met oliën om hen voor te bereiden op de strijd. Nu zouden we dat een massage voor de wedstrijd noemen.

Een en ander houdt in dat Jezus als gezalfde van God dus inderdaad voor een opdracht wordt aangesteld en dat hem strijd wacht. In die zin is de verwijzing naar zijn lijden natuurlijk wel betekenisvol, maar ik denk dat lijden niet helemaal samenvalt met strijd. Strijd zal wel lijden meebrengen, maar is niet lijdzaam.

In de katholieke sacramenten komt de zalving terug bij het doopsel, het vormsel en het sacrament van de zieken.

De zalving van God bij Jezus wordt dus doorgetrokken naar de zalving bij ons. Zo worden we volgeling van Jezus.

Lid worden van de kerk (doopsel), groeien naar volwassenheid als christen (vormsel), de kracht vinden om de dood te aanvaarden (sacrament van de zieken) … houden dus in dat de gelovige aanvaardt dat het leven als christen een strijd wordt.

Al in het begin van het evangelie van Johannes, vers 4 en 5 wordt het aangegeven:

In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.”

Gelovig zijn maakt het leven niet gemakkelijker.

Bij de eerste christenen was dat extreem. Ze werden vervolgd, gemarteld … werden martelaren.

De “normale” wereld wilde niet van hen weten.

In onze streken is dan sinds Constantijn een wereld ontstaan waarin de kerk zich identificeerde met de machthebbers. Europa werd een “christelijk” continent. Dat kon enkel gebeuren doordat de katholieke kerk zich ontpopte tot de hoer van de geschiedenis die zich verkocht aan de machthebbers.

De Franse revolutie, de Verlichting, het atheïstisch humanisme, de secularisatie door de vercommercialisering en het dwaze ongebreidelde geloof in de wetenschap … hebben de kerk – en de gelovige ! – terug op zijn plaats gezet: ze passen niet in deze wereld. Ze passen niet in de wereld van Trump, Poetin, Netanyahu … Net zo min in de wereld van Rutte, Theo Francken … Of de wereld van de rijken. 

“Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om het rijk van God binnen te gaan.” (Mk. 10, 23)

Maar een christen past even min in de wereld van mensen die shoppen als hobby hebben en Pukkelpop als het hoogtepunt van het jaar zien.

Ik kan zo nog even doorgaan.

Wie zijn christen-zijn ernstig neemt, kàn zich niet aan “onze” wereld confirmeren.

Eigenlijk kan iemand die gewoon zijn mens-zijn ernstig neemt zich niet confirmeren aan een wereld die duidelijk op alle terreinen totaal ontspoord is.

Christen- en mens-zijn vallen samen.

Daarom noemt Jezus zichzelf in de evangelietekst hierboven ook “Mensenzoon”.

Het christendom is een humanisme.

Maar een humanisme dat verbonden is met een God, de God van Jezus.

We zijn niet gezalfd zoals de oude Grieken, maar gezalfden van God. De God van Jezus.

Als je het woord God hoort, moet je voor mijn part niet denken aan iemand – ook niet aan iemand die het goed met je meent. Wie daar nood aan heeft, gun ik dat geloof. Maar het probleem van het lijden – als God goed is, is hij niet almachtig; en als hij almachtig is, is hij niet goed – heeft me er toe gebracht om meer aandacht te schenken aan het aspect transcendentie bij het woord God. Bij die transcendentie hoort onvoorwaardelijkheid. Bij de God van Jezus gaat het over Liefde, onvoorwaardelijke Liefde.

Dat is waar de christen voor gezalfd wordt: voor de beleving van de onvoorwaardelijke liefde.

Die beleving is een strijd in hemzelf en een strijd in een wereld die liefde misschien beschouwt als mooi, maar niet passend in een realistische houding; niet passend in realpolitik; niet passend in een wereld gedomineerd door de strijd om macht, zowel op wereldvlak als op de persoonlijke omgang met anderen, zowel op het werk als in de gezinssfeer.

Wie die Liefde onvoorwaardelijk probeert te beleven zal tegenkanting ondervinden. Hij zal nederlagen lijden, al zal hij die misschien niet als nederlagen ervaren, juist omdat hij geen strijd is aangegaan.

En dan moet ik toegeven dat ik het hier allemaal wel duidelijk kan schrijven, maar dat ik zelf in de beleving schromelijk tekort schiet.

Ik kàn het gewoonweg niet. De onvoorwaardelijkheid gaat me te boven; transcendeert me. Ik ben God niet.

Het zou ongelooflijk pretentieus zijn om van mezelf te vinden dat ik bekwaam ben om de Liefde onvoorwaardelijk te beleven. Ik denk niet dat ik het martelaarschap aankan.

Maar dat is het woord waar het hier om gaat: aankunnen, draagkracht.

Wat kan ik aan ? 

Daarin moet ik tot het uiterste gaan; mijn uiterste. 

Die draagkracht is voor iedereen verschillend. Waar het uiterste ligt zal voor jou ergens anders liggen dan voor mij. Maar het blijft wel het uiterste.

Aanvaarden dat ik het niet kan is geen hypocrisie als ik mijn kunnen zo ver mogelijk oprek.

In het bijbelse scheppingsverhaal roept God zijn schepsel op om mens te worden naar Zijn beeld en gelijkenis. We moeten niet zelf Jezus worden. Volgeling zijn is al moeilijk genoeg; maar wel waar het om gaat.

Lucas 9, 18-24 

Toen Jezus eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen, stelde Hij hun de vraag: ‘Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?’ Zij antwoordden: ‘Johannes de Doper, anderen zeggen: Elia, en weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.’ Hierop zei Jezus hun: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Nu antwoordde Petrus: ‘De Gezalfde van God.’ Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen. ‘De Mensenzoon,- zo sprak Hij moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht, zal Hij op de derde dag verrijzen.’ Maar tot allen sprak Hij: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden.’

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *