Bidden met bomen, bergen en beken

Otheo

Bidden met bomen, bergen en beken: 12 psalmverzen over de natuur

Psalmen verwoorden de diepste verlangens en angsten van de mens. Ze geven ademruimte aan ons innerlijk leven. De natuur spreekt en bidt met ons mee

Voor een keer moet ik je uitdrukkelijk vragen om het artikel waar deze blog van vertrekt ook echt te lezen. Er is heel veel geschreven over de Psalmen. Maar deze teksten van zo lang geleden zijn op zich zo waardevol dat eigenlijk iedereen, gelovige en ongelovige ze zou moeten gelezen hebben.

Nogal wat mensen brengen hun vakantie liggend door. Ingesmeerd. In de zon op een strand. Aan zee. Maar zelfs na weken aan zee, hebben ze geen zee gezien.

Ze hebben geen oog gehad voor het beeld van eindeloosheid. Ze hebben geen ontzag gevoeld voor een kracht die de hunne ver te boven gaat. Ze hebben het ritme van de golfslag niet gevoeld dat nochtans aan de oorsprong ligt van alle leven. Eigenlijk zijn ze enkel met zichzelf bezig geweest. Ze hebben zichzelf ge-olied gestreeld. Sommigen zijn zelfs hun kinderen uit het oog verloren omdat ze enkel naar zichzelf konden kijken; blij met hun lijf of jaloers op dat van anderen.

In de beleving van narcisme is de mens enkel bezig met zichzelf. Daarmee sluit hij zich juist af van zichzelf.

Een mens kan slechts echt zichzelf zijn als hij zichzelf durft los laten en over geven aan de grootsheid van de schepping waar hij deel van uitmaakt, samen met de anderen.

Openheid voor het schone en grootse in de natuur is een conditio sine qua non voor groei naar echte menselijkheid.

Maar ze is niet voldoende.

Dat is wat de Psalmen bij brengen: ze verbinden de schepping met God.

En neen, ik ben het niet altijd eens met het Godsbeeld dat leeft in de psalmen, maar dat hoeft ook niet om de schoonheid van de tekst en de diepgang te waarderen.

Dat Godsbeeld is er uiteraard een van de tijd van toen, en het kan voor sommigen misschien raar klinken, maar Godsbeelden veranderen. Na zoveel eeuwen van wetenschappelijke ontwikkeling ontstaat er een ander Godsbeeld.

Om traditionele gelovigen gerust te stellen: neen, ik zeg niet dat God verandert. Maar het beeld dat wij hebben van God wordt gevormd door de mens en de mens verandert . Hopelijk. Er is nog wel wat werk voor we mens geworden zijn naar Gods beeld en gelijkenis.

Ondertussen moet er in die evoluerende Godsbeelden natuurlijk wel nog een blijvende, essentiële, constante zijn.

Ik kan dus onder de indruk zijn van de grootsheid van de bergen; van de lieftalligheid van de bloemen; van het ingenieuze  van een kolonie mieren … Ik kan getroffen zijn door de kleurenpracht van een zonsondergang of  de wonderlijke schoonheid van Alpenglüh Die pracht …  dat wonderlijke  …is op zich al waardevol. Maar als die indrukken en ervaringen me naar God leiden, worden ze verdiept, krijgen een andere, rijkere dimensie.

Ze leiden me naar God, Schepper.

Schepper kan je vertalen naar Zingever.

Een terugkerend zinnetje in het bijbelse scheppingsverhaal: “En God zag dat het goed was”. God zag dat het zin had / heeft.

Neen, het is niet perfect, maar het heeft wel zin.

De natuurbeelden leiden mijn geest naar een besef van iets dat me totaal overstijgt. Ik kan zelf niet de zingever zijn. 

Tja, dan kan je zoals een Sartre tot het besluit komen dat er geen zin is, maar het is niet omdat ik de zin niet kan bevatten dat die er niet is.

Ik geloof in God betekent hier: ik geloof dat het bestaande – van de kosmos tot de mier in mijn tuintje – zin heeft. Ik kan misschien een glimp van die zin opvangen; meer ook niet. Maar dat er zin is, maakt me wel vrolijk. Het geloof is een vorm van diep optimisme.

Ik maak zelf deel uit van die schepping. Het naakte feit dat ik besta heeft zin. Zo kom ik ook tot een vorm van eenheid met de mij omringende schepping. Ik val niet samen met de Alpenglüh, maar tegelijkertijd maak ik er ook deel van uit. Ik leef niet enkel in de natuur, maar ook mét de natuur. Mijn geloof verandert mijn omgang met beton.

God, de transcendentie, leeft ook in mij.

Neen, ik vergeet het lijden niet. Ook het zinloze lijden niet. Het lijden dat wij als totaal zinloos en onaanvaardbaar ervaren. Het kind dat door een dronken chauffeur wordt weggerukt uit een gelukkig gezin. Het kind dat door een overstroming nooit wordt teruggevonden. Het kind dat door een bliksem op kamp nooit meer thuis zal komen.

We moeten niet proberen om dat lijden zin te geven. Maar voor wie gelooft, blijft het bestaan, het leven … zin hebben en zo wordt dat geloof een kracht om met dat zinloze lijden om te gaan en om nog meer van mekaar te gaan houden.

Want de Liefde is de andere kant van de God van Jezus.

De Liefde is de zin van ons bestaan, toegepast op ons mede-mens zijn. Het mede-mens zijn dat essentieel is, gewoon om mens te zijn.

Zonder liefde heeft de andere geen zin. En als de andere geen zin heeft, heb ik geen zin.

Soms is het goed om heel alleen op een duin aan zee te zitten of op een rots op de top van een alp. Maar als het goed is, gaat die ervaring van grootsheid ook samen met het gevoelen: nu zou hij / zij hier bij me moeten zijn.

Psalm 42,2

Zoals het hert de beekjes zoekt,
zo zoekt mijn geest naar U, mijn God.

Terug naar het strand. De ingesmeerde mens is niet meer op zoek. Hij is niet op weg. Hij beseft zelfs niet meer dat er iets/iemand te zoeken is. Hij heeft genoeg aan zichzelf.

 

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *