In de parabel van de onrechtvaardige rentmeester heeft Jezus gezegd: ”Gij kunt niet God dienen en de mammon”. De mammon is de afgod van mensen gedreven door genotzucht, streven naar rijkdom, macht en dominantie, ambitie … Bij die woorden van Jezus lachten de farizeeën hem uit.
Als antwoord vertelt Jezus een oud volksverhaal waarin een arme, doodziek, voor de poort van een rijke ligt in de hoop wat afval van de feesttafel te krijgen. De rijke ziet hem nog eens niet liggen. Na zijn dood komt de rijke in de hel en de arme wordt voor zijn lijden gecompenseerd in de hemel.
Pastoors hebben dit thema vanop de preekstoel misbruikt om de armen op te roepen om niet in opstand te komen tegen hun armoede, want de hemel zal hun deel zijn. Raar dat die pastoors niet tegelijkertijd de rijken hebben opgeroepen om hun rijkdom te delen met de armen om zo de hel te vermijden. Maar ja, die pastoors hingen voor hun welstand ook af van de giften van de rijken, de mensen die zich vooraan in de kerk een eigen bidstoel konden kopen met een zacht kussen voor hun gevoelige knieën. Voor het smeer likt de kat de kandeleer.
De farizeeën leefden in een totaal andere wereld dan ”het gewone volk”. Er gaapt een diepe kloof tussen hen en de zondige massa paupers (vers 26). Dit verhaal behoorde niet tot hun repertorium
De Joden van die tijd zagen God als een Rechtvaardige Rechter die zonde bestraft met armoede en ziekte. Gezondheid en rijkdom zijn een beloning van God voor een leven dat nauwgezet de Wet naleeft. Voor de farizeeën en wetgeleerden was het oude volksverhaal dus godslasterlijk. En vooral: hun geloof verbiedt de armen om in opstand te komen tegen hun armoede.
Door dit oude volksverhaal te vertellen zet Jezus hen op ongenadig op hun plaats.
Het sluit aan bij zijn ”mirakels” waarbij hij zieken geneest en daarmee volgens de farizeeën en wetgeleerden ingaat tegen de wil van de rechtvaardig bestraffende en belonende God.
Voor Jezus is armoede geen straf van de God maar het gevolg van de mensen die de Mammon vereren.
Jezus stelt tegenover het godsbeeld van de Rechtvaardige Rechter, het beeld van het Goede Vadertje dat zijn zondige zoon zonder voorbehoud terug in zijn armen sluit als hij naar zijn Vader terugkeert. Die Vader bestraft hem niet, maar richt een groot feest aan om zijn terugkeer te vieren.
De God van Jezus is Liefde, en Liefde is niet bezig met oordelen, veroordelen, straffen …
En de Liefde is niet uit op het verwerven van bezit, rijkdom, macht, aanzien … De Liefde wil samenzijn, gelijkheid, delen, tederheid …
In dit gedeelte van zijn evangelie brengt Lucas een aantal verhalen samen die allemaal samen vatten te zijn met: je kan niet God én de Mammon dienen.
Hij veroordeelt niet uitdrukkelijk rijk-zijn, maar wel het streven naar rijkdom dat je belet om te delen.
En ja, dan kan je even goed stellen dat als je bereid bent om te delen, je bezit zich niet zal opstapelen. Wie deelt, wordt niet rijk.
Jezus was een kind van zijn tijd. Over de maatschappij denken in termen van structuren behoorde niet tot zijn intellectuele bagage. Van Marx had hij nog niet gehoord. Hij zou zeker geen marxist zijn, maar hij zou het wel eens zijn met Marx over het kapitalisme waarin kapitaalaccumulatie essentieel is. Hij zou het kapitalisme een doodzondig systeem vinden en ijveren voor een alternatief.
Tenslotte: misschien denk je – als hedendaagse, wetenschappelijk geschoolde mens – dat dat gedoe over hemel en hel en leven na de dood maar niets is; dat het geneuzel is van primitieven. Het is niet omdat hemel en hel bij het wereldbeeld van Jezus hoorden dat ik dat zo maar moet overnemen. Tenslotte had Jezus nog nooit van Hawking gehoord.
Ik weet niet of er leven is na de dood, of er een hemel en een hel is. Ik kàn het niet weten.
Kan ik het gelòven ?
Niemand kan me bewijzen dat er niets is. Dus mag ik het geloven. Ik doe er niemand kwaad mee en het leven is aangenamer met het vooruitzicht van een hemel, op voorwaarde dat de hemel geen excuus is voor een hel op aarde. Dat blijft waar, ook voor wie niet gelooft.
Lc. 16, 19-31
Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feestvierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Ja, zelfs kwamen honden zijn zweren likken. Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, zelfs als men het zou willen, van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.’