Waar gaan we heen met ons leven ?
Welke weg volgen we eigenlijk ?
Of zijn dat onnozele vragen ?
Misschien is er geen richting. Misschien loopt het gewoon gelijk het loopt; van geboorte via puberteit naar volwassenheid en dan een leven van werken om te overleven en in onze samenleving ook van werken om volop te kunnen consumeren. Ondertussen worden we een paar maal verliefd en krijgen wat kinderen die we graag zien – hopelijk. Daarna volgt de aftakeling en het onverbiddelijke einde.
Misschien moeten we zelfs blij zijn dat we de tijd van aftakeling bereiken. Een zatte kloot in een auto kan ons dat beletten. En in onze ”rijke” samenleving is er zelfs een ontstellend aantal mensen dat het voortijdig zelf niet meer ziet zitten.
Misschien loopt ons leven eigenlijk wel gewoon gelijk dat van de beesten met als enige verschil dat wij beseffen wat er met ons gebeurt ? Alvast in de liefde voor onze kinderen verschillen we niet van de olifanten. En een hond is daarbij ook nog eens trouw aan zijn baas.
In naam van het realisme is er wel iets te zeggen voor die manier van denken.
Het leven wordt dan een stuk gemakkelijker. Richt je op behoeftebevrediging. Moeilijker moet het niet zijn. Zorg er voor dat je niet in aanvaring komt met wetten en geburen en vooral: blijf zen bij een tegenslag. Misschien is dat nog het lastigste. Boeddha kan helpen.
Als het je een goed gevoelen geeft, kan je je inzetten voor anderen, maar misschien voel je je beter als je ”prijzen” wint; ambities waar maakt; je voetbalclub naar de overwinning schreeuwt.
Zin ? Waarom moet het leven zin hebben ? We zijn er eventjes en daarna zijn we er niet meer. De kosmos heeft nog van geen enkele mens ooit last gehad. Maar goed dat de goede God een sterke overlevingsdrang in ons heeft gelegd, want anders zouden nogal wat mensen er bij de eerste tegenslag een definitief pilletje voor nemen.
Groentjes maken zich druk over het verdwijnen van de vette makaki of de wintergele nimfodromedar. Waarom eigenlijk ? Als de mensensoort verdwijnt – en we zijn goed bezig om daar zelf voor te zorgen – zal niemand in de kosmos dat zelfs maar opmerken. Is er iemand in de kosmos ?
Als je het zo bekijkt is het misschien zelfs gewoon maar dwaas van de goede God om ons te belasten met die overlevingsdrang. Maakt het leven maar moeilijker.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dat niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij opdat ook gij zult zijn waar Ik ben. Gij weet waar Ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend.’ Tomas zei tot Hem: ‘Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?’ Jezus antwoordde hem: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.’ ( Joh. 14, 1-6)
En dan komt daar een Jezus die zegt dat het leven ergens naartoe gaat. Dat leven komen is. Thuis komen. Voor wie gelooft. Voor wie gelooft dat Hij de weg is. Voor wie zijn weg wil gaan.
Voor mijn part zeg je dat het geloof inbeelding is; een product van chemische processen in hersenen. Natuurlijk is het geloof dat. En dan ?
Ook je ambitie of je drang naar een feestje of terrasje, je orgasme of je gevoelen dat je de wereld moet verbeteren en de Joden moet wegjagen uit Palestina … is product van chemische processen in je hersenen.
Nu, geef mij dan maar dat geloof.
Laat mij dan maar de weg van Jezus gaan. Of liever, laat mij dan maar proberen om die weg te gaan met vallen en opstaan en af en toe even rusten op een terrasje.
Wat is dan wel die weg ?
Jezus was geen theoloog, geen geleerde. Hij verkocht geen ingewikkelde theorieën. Hij vertelde verhalen. Wie die verhalen diep beluistert zal daarin Z/zijn weg wel vinden.
Ik kan proberen om die verhalen te vertalen naar hedendaags woordgebruik. Daarmee zal ik nooit dezelfde diepgang bereiken als de verhalen zelf, maar voor mij, opgegroeid in de tijd van het wetenschappelijk denken (of wat daarvoor moet doorgaan), is het wel nuttig om dat vertaalwerk te doen.
Bij onze geboorte zijn we een totaal egocentrisch wezentje. Dat is onze ”natuurlijke” toestand. Hierboven heb ik het leven beschreven van de mens die de facto een egocentrische leven leidt, ook als hij zich inzet voor anderen.
In dat leven blijven we wat we ”natuurlijk” zijn: dieren; weliswaar zeer ver geëvolueerde dieren, waarbij de hoogst geëvolueerden zelfs genieten van Bach. Het verhaal van Jezus roept ons op om van dier echt mens te worden; om van egocentrisme meer en meer bekwaam en bereid te worden tot liefde. We zullen die bekwaamheid en bereidheid nooit helemaal bereiken, maar het is wel de weg die we moeten gaan.
Wat wij normaal onder liefde verstaan is natuurlijk niet gelijk aan de ”goddelijke” liefde.
De goddelijke liefde vertrekt van het aanvoelen dat ik niet het centrum van het heelal ben; van het besef van transcendentie. Vanuit dat besef krijgt alles wat ik doe een andere dimensie. Mijn leven als zodanig is niet meer gericht op overleven. Mijn leven wordt de beleving van dienstbaarheid vanuit een grote nederigheid.
Ik zou hier op moeten doorgaan, maar ik nader het einde van deze blog.
Toch nog dit: ik kan dit omzetten in mythologische taal: ik ga leven volgens Gods wil. Of, zoals Jezus het zegde, hangend aan een kruis: ”Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”.
Als je Gods wil wil kennen, bemediteer dan de verhalen van Jezus.
En neen, we moeten er niet in slagen om de totale liefde, de totale nederigheid, de totale overwinning over het egocentrisme te bereiken. We zijn God niet. Maar we moeten wel op weg zijn. Of neen: we moeten niets. We worden er door God fluisterend toe opgeroepen.