Ik val in herhaling. Vorige zondag vond ik het maar een raar verhaal. Nu weer maar eens: een raar verhaal.
”Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen.”
Wel, ik weet het ook niet zo dadelijk. Een goede reden om er even over te mediteren.
Johannes 10, 1-10 — ‘Ik zeg u: ik ben de deur van de schapen’
In die tijd zei Jezus: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. Voor hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen.
Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.’ Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen. Een andere keer zei Jezus tot hen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. Allen die vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen. Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed.’
Als hedendaags exemplaar van de menselijke soort vind ik het maar raar dat ik met een schaap wordt vergeleken. Niet voor niets kennen wij de uitdrukking ”arm schaap”. Een schaap lijkt een nogal dom kuddedier dat schaapachtig enkel zichzelf kan zijn als het zich gedraagt zoals alle andere schapen, gedreven door honden. Je kan schapen moeilijk zien als sterke persoonlijkheden. Nuttig, ja, een mens kan er van leven: je kan er melk van drinken en kaas van eten. Van zijn wol kan je kleren maken en van zijn vel tenten. Maar een goed gesprek zoals je met je hond kan hebben, zit er niet in.
Ik wil gewoon geen schaap zijn.
En toch
Psalm 23
De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want U bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik verblijf in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.
Er is iets raars … Nu doe ik het weer.
Als ik dit lees heb ik als geboren heiden, (iedereen wordt heidens geboren – gelovig moet je worden), de neiging om dat ”het ontbreekt me aan niets” ”menselijk” in te vullen, zowel materieel als emotioneel. Het lijkt er dan op dat ik als me maar laat weiden zowel materieel als emotioneel een leven zonder problemen mag leiden.
Dat emotionele wil ik even af zijn, maar dat materiële is natuurlijk zever. In Vlaanderen is het moeilijk om arm te zijn (Proletarieërs aller landen, verenigt u !), ik heb dus nooit echt iets tekort gehad, maar rondom mij zie ik overal mensen die zich niet willen laten weiden, en die het veel beter hebben dan ik, veelal juist doordat ze zich van God en gebod niks aantrekken.
En toch krijg ik een gevoelen van veiligheid als ik deze psalm lees. Waar zit die veiligheid dan ?
Er is iets raars … In de tijd van Jezus waren herders uitschot. Een fatsoenlijk mens wilde er niets mee te maken hebben. Ze mochten zelfs niet binnen de stadsmuren komen, want ze stonken. Mannen die eenzaam van weide naar weide trokken. Sommigen hadden een lievelingsschaapje. Een van hen staat in de kerststallen die de concurrentie met de Iftar verloren hebben.
En toch stelt Jezus zichzelf voor als een herder. Het wordt weinig benadrukt, maar dat moet in zijn tijd in die streek geweldig provocerend geweest zijn.
Dat betekent dat Jezus heel duidelijk wil maken dat dat deftig volk niet deel kan uitmaken van zijn kudde.
Dat die ”geslaagden in het leven” niet door de deur naar het heil kunnen die Jezus zelf is.
In de politiek hebben ze het tegenwoordig veel over kemels. Welnu, ook Jezus heeft het er over gehad: “Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van de naald te gaan, dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan” (Matteüs 19:24, Marcus 10:25, Lucas 18:25). Het oog van de naald is een smalle poort in de ommuring van Jerusalem. Om er door te geraken moest een beladen kameel zijn rijke lading achter laten.
Neen, ik roep jullie niet op om stinkend door het leven te gaan.
Maar misschien zijn het juist niet de volgelingen van Jezus die de arme volgzame kudde beesten zijn.
Misschien zijn het juist de strevers, de ambitieuzen, de aanbidders van de god van het pleziertje, de grote baasjes … Want zij volgen de stroom van het ”normale” leven. Zij lopen gelijk marmotten in de eindeloze hedonistische tredmolen. Zij springen gelijk kikkers van de ene hype in de andere maar blijven dwaas in de grote soep-pot zitten waarin het systeem hen tot rottende eenheidsworst gaar kookt terwijl ze vals maar enthousiast het clublied van de beste voetbalclub van het land brullen, zich sterk voelend in de massa.
Het vraagt besef en moed om uit die drek te stappen en zich in zijn leven door Jezus te laten inspireren. De kudde wordt dan een gemeenschap. Mensen lopen er niet zo maar naast mekaar, maar mét mekaar. De stal wordt een plaats waar zoals bij Kerstmis nieuw leven op aarde komt.
En wat dat emotionele betreft: verdriet is verdriet. Maar wie zich geborgen voelt in een gemeenschap met het gevoelen dat er een herder is die altijd toch opnieuw groenende weiden en vredig water vindt, zal beter kunnen omgaan met dat verdriet.
Maar daarvoor moet je dus de moed hebben om door die deur te gaan, zelfs al roepen ze rondom jou dat het daar stinkt.