Ja, ik kan er ook niks aan doen dat ik altijd opnieuw de vraag krijg: ”Bestaat God ? Kan je bewijzen dat God bestaat ?”
Eigenlijk moet ik blij zijn als iemand me die vraag stelt, want de domme massa stelt zich zelfs die vraag niet meer. God is uit haar blikveld verdwenen.
De domme massa mens is zo fel op zichzelf gericht dat hij niet verder kan kijken dan zijn volgende orgasme, afgewisseld met wat shoppen en een terrasje of, godbetert het (maar dat doet Hij niet ! ) een festival. De domme massa mens wil zelfs gaan werken om het zich allemaal te kunnen permitteren. De domme niet-massa mens laat anderen voor zich werken.
50.000 lopers in Antwerpen. De TV brengt er natuurlijk uitgebreid verslag over uit, want als het over veel volk gaat, brengt het op. Ik wil niet iedereen van die 50.000 over dezelfde kam scheren, maar zeker 499.999 van hen beleven een hoogtepunt van narcisme op het moment dat ze op de aankomstlijn hun chrono indrukken.
In Parijs zaten 50.000 fanaten naar een voetbalmatch te kijken. Alleen al het feit dat je in zo ’n massa ”er bij” wil zijn, maakt dat je niet meer bekwaam bent tot echte religie. Je beleeft er een hoogmis van afgodenritus; schuldige onnozelheid die je innerlijk onbekwaam maakt tot religie.
Ok, ik overdrijf wat. Maar in de essentie blijft: onze tijdsgeest is getekend door hedonisme en de drang om op te gaan in de massa is een teken van totale beneden-persoonlijkheid; een persoonlijkheid die nodig is voor de echte zelf-wording die samen gaat met geloof.
In die tijdsgeest is religie, geloof, God zelfs geen thema meer. De hedendaagse mens kruipt zo laag dat wat hoger ligt, transcendentie, ondenkbaar is.
Een blinde mol moet je ook niet vragen hoe de hemel eruit ziet.
Ja, ik ben dus blij met de vraag ”Bestaat God ?”
Mag ik al dadelijk de vraag anders formuleren ?
”Bestaat God voor mij ?”
Voor de filosofen onder jullie: ik schakel van essentialistisch denken naar existentialistisch denken. Niet dat ik een geschoold filosoof ben. Waarschijnlijk kan ik zelfs niet goed uitleggen wat ik daarmee bedoel. Sta me dus toe om die filosofie over te slaan.
In ieder geval: veronderstel dat ik kan bewijzen dat God bestaat; ergens nergens, overal, altijd … dan betekent dat nog altijd niets als Hij niet bestaat voor mij.
Laat het duidelijk zijn: de praktijk leert dat nogal wat mensen die geloven dat God bestaat zich voor de rest niks van Hem aantrekken. Het kan ook dat ze hun idee van die god aangepast hebben aan wat ze nodig hebben voor hun, uiteraard, snode plannen.
Maar er zijn zeker nog altijd mensen voor wie God bestaat. En ja dus: God bestaat. Hij bestaat zelfs voor iedereen. Wij doen Hem bestaan. En als hij voor mij bestaat, bestaat hij ook voor jou, onbenullige ongelovige. Want Hij roept mij op om voor jou te bestaan.
Dan komt natuurlijk de vraag wie of wat laat ik God zijn voor mij ?
Wie of wat is voor jou het allerbelangrijkste ? Voor wie of wat leef je ? Wat is voor jou het/de allerhoogste ?
Wel, die of dat is jouw god.
Want dat is de betekenis van het woord God: Allerhoogste.
In de woestijn had Mozes even genoeg van dat Joodse klootjesvolk dat hij naar het Beloofde Land moest leiden en trok daarom de berg op. Terwijl hij weg was bouwden zijn volksgenoten een gouden kalf. Toen hij terug beneden kwam zag hij ze het gouden kalf aanbidden als hun God.
Voor hen was niet meer Jahweh hun God, maar wel het gouden kalf. Goud, symbool van rijkdom en macht. Het kalf, symbool van lekker eten, genot.
Die Joodse bende daar was een voorloper van de hedendaagse mens.
Voor de voetbalsupporters gaat het om macht, voor de shoppers om hebben. De terrasjesmens en liefhebber van Chinese balletjes zijn gericht op genot.
Macht, hebben, aanzien, genot … het zijn de afgoden van alle tijden, maar nu is onze ”beschaving” massaal getekend door dit afgodendom.
Ik beken: ook ik ben daar niet ongevoelig voor. Je kan het zelfs de natuurlijke staat van de mens noemen.
Maar dat is nu eenmaal de betekenis van religie: de zoektocht naar het hogere, naar dat wat de natuurlijke mens overstijgt. Naar dat wat écht de moeite waard is om mijn God te laten zijn.
Godsgeloof begint bij het besef van de ijdelheid van het gouden kalf.
Wat is dan wel de moeite waard om voor te leven ? Wat geeft echt zin aan mijn leven ?
Voor het antwoord op die vraag kan ik hele bibliotheken lezen. Altijd en overal al hebben mensen zich die vragen gesteld en antwoorden gezocht.
Het beste antwoord – eigenlijk het enige juiste antwoord – heb ik gevonden in de boodschap van Jezus: ”God is Liefde” (1 Joh. 4, 8)
Bestaat die God van Jezus echt ?
Ja natuurlijk. Hij bestaat in zoverre ik hem doe bestaan door zijn Liefde te beleven. Hij bestaat als ik Hem doe gebeuren. God is een gebeurtenis. Wat is er echter dan iets wat gebeurt ?
Vergis je niet. De Liefde waarvan hier sprake is niet zo maar iets van ”lief zijn voor mekaar”. Het is een levenshouding van dienstbaarheid, te beginnen met dienstbaarheid aan de schepping – de natuur: ”En God plaatste de mens in de Tuin van Eden om die te bewaken en te bewerken.” (Gen. 2, 15)
Maar natuurlijk ook dienstbaarheid aan de evenmens en aan de samenleving.
Het gaat om intenties en motivatie.
Werk ik om geld te verdienen en me iets – zoveel mogelijk – te kunnen profiteren of om iets te betekenen voor anderen en voor de samenleving ?
Waarom studeer ik ?
Waarom probeer ik gezond te leven ?
Waarom ben ik goed voor anderen ? Omdat dat me een goed gevoelen geeft ?
Is de Liefde mijn drijfveer, of doe ik het finaal voor mezelf ?
De mens die leeft voor de afgoden (macht, hebben, aanzien, genot …) leeft voor zichzelf. Hij maakt zichzelf tot god.
Gelukkig wordt een mens daar niet van.
Neen, we moeten niet de pretentie hebben dat we God aanwezig kunnen stellen in ons leven in dezelfde mate als Jezus het gedaan heeft. Perfectie, totale liefde, wordt niet van ons geëist. Wij zijn God niet. De eerlijke mens zal het beleven met vallen en opstaan. Maar dat is wat een christen altijd opnieuw doet: opstaan.
Jezus heeft het ons voorgedaan in zijn verrijzenis.
We kunnen niet altijd recht blijven, maar we kunnen wel altijd terug recht krabbelen en God een beetje doen bestaan.
Tijd voor mij om terug recht te staan en de domme massa een beetje (niet teveel) minder te minachten.