Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder … (Mt 9, 36 )
Zou Matteüs al het beeld van onze overvolle stranden voor ogen hebben gehad ? Platliggende, bijna hersendode afgetobde mensen ?
Ik heb het daarover al gehad in mijn zondagblog van vorige week.
Het ergste aan deze eigentijdse menigte is dat ze zich zelfs niet bewust is van haar spirituele armoede en haar nood aan een herder.
Gelovigen zijn zich daar wel van bewust. Maar zijn ze zich bewust van wat ze écht nodig hebben ?
Hebben wij Gods – Jezus’ – hulp nodig ? En waarvoor ?
Nog altijd worden in onze kerken missen opgedragen voor allerlei intenties, van goede examens tot het lukken van een operatie, of om iemand toch zeker maar in de hemel te krijgen. Voor de pastoors is dat inkomen.
Mijn slecht karakter heeft de neiging om dat belachelijk te vinden. Van de andere kant heb ik natuurlijk ook wel begrip voor mensen die op zoek zijn naar hulp bij een probleem waar ze geen vat op hebben. Neen, het past niet om dat belachelijk te maken. En onze wereld zou er mooier uitzien als we wat meer onze diepe afhankelijkheid zouden erkennen en aanvaarden.
Maar toch …
Denk je nu echt dat God aan examenvervalsing zou doen ? Voor een operatie reken ik beter op een goede chirurg dan op het gebed van een pastoor … En of er wel een hemel bestaat, is nog maar de vraag.
Als ik naar mijn gewone dagelijkse leven kijk, lijkt het alsof ik God voor niks nodig heb. De wetenschap, het economisch systeem (toch hier bij ons en nog nu), de democratie … bieden me voor zowat alles oplossingen. Ik heb het geld om mijn terrasjes te doen en voor een sportieve vakantie. Ze kunnen van onze ziekenkassen zeggen wat ze willen – en dat doen ze – maar ik ben er toch blij mee want ik kan me de beste zorg permitteren. En ja, er loopt nog altijd van alles fout, maar buiten af en toe een mirakel in Scherpenheuvel zie ik weinig heil gebracht door een goddelijk ingrijpen. Vraag het maar aan de slachtoffers van de holocaust.
En toch zit er iets waardevols in dat gebed voor van alles. Want al probeert het God voor onze kar te spannen – dat is het tegendeel van godsdienst – het vertrekt toch van het besef dat God iets met ons leven te maken heeft.
God – Jezus – hebben te maken met ons mens zijn.
Als ik nu naar onze samenleving kijk, dan zie ik een enorme materiële rijkdom, maar een even enorme spirituele armoede.
En ja dus, het beeld van die menigte mensen die afgetobd neerliggen kan je perfect toepassen op de massa in onze tijd; ook als ze niet op een strand ligt.
Dan kan ik het hebben over het verbijsterend aantal zelfdodingen en over de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg. Denk aan de burn outs die niet het gevolg zijn van te hard werken maar van het besef van de zinloosheid van al dat ge-ijver … Het hangt allemaal samen met een beleving van geluk als consumptie.
Dat is het ergste: die afgetobde menigte denkt dat ze het probleem heeft opgelost als ze iets heeft gedaan aan de wachtlijsten in de zorg.
De mensen hebben helder water nodig van een zuivere bron, maar ze snacken naar hun cola. Ze zouden op weg moeten zijn naar groenende weiden, maar haasten zich naar Graspop. Stilte en diepgang kunnen rustige moed brengen, maar ze laten zich wegzinken in de roes die enkel de wanhoop maskeert.
Kostbare vriendschap zouden ze moeten koesteren als een schat, maar ze beleven hun intimiteit in sex als genotsmiddel …
We hebben God uit onze samenleving gesmeten.
Als lemmingen hollen we naar de afgrond. Waren we maar schapen met een goede herder.
Laat dit duidelijk zijn: als de mens enkel zichzelf is, is hij lager dan een beest.
Een beest is geroepen om beest te zijn. Daarin ligt zijn geluk.
Maar een mens is geroepen om boven zichzelf uit te stijgen. Als hij dat niet probeert, is hij een mislukking.
Boven zichzelf uit stijgen betekent: ergens naar toe.
Dat ergens hebben we ooit een naam gegeven: God.
We zijn dat ergens naartoe kwijt geraakt.
We zijn niet meer op weg.
Er is iemand die ons de weg wijst. Tweeduizend jaar geleden is Hij geboren, maar Hij leeft nog altijd. Want Hij is verrezen. Hij leeft nog altijd in de harten van mensen.
Jezus is de Goede Herder. Hem hebben we nodig. Zonder Hem kunnen wij niet.
Maar we moeten Hem wel willen aanvaarden gelijk we Hem kennen in de evangelies.
We hebben Hem nodig, maar we mogen niet proberen om Hem voor onze kar te spannen.
We moeten Hem niets vragen. Naar Hem kijken, zijn boodschap beluisteren en overwegen, en met vallen en opstaan Hem onze Herder laten zijn, volstaan.
Maar heb je om zijn boodschap te beleven ook Hemzelf nodig ? Kan je niet een goed mens zijn zonder dat religieus gedoe ?
Daar wil ik dieper op ingaan in mijn blog van volgende zondag.