Hallo, jij daar; in de ruimte !
Beseffen wij niet te weinig dat we in de ruimte leven ? In de kosmos ?
Ja natuurlijk, door de zwaartekracht – massa en zo – zijn we verbonden met de aarde, maar toch: samen met de aarde zweven we in de ruimte.
Is dat een beangstigende idee, of juist een bevrijdende ?
Beangstigend door onze kleinheid en kwetsbaarheid.
Maar misschien is juist dat besef van onze kleinheid ook bevrijdend. Want als we zo oneindig klein zijn, waar halen we dan de pretentie om onszelf belangrijk te vinden ? En wie is er innerlijk vrijer dan wie zichzelf totaal onbelangrijk vindt ?
Waar halen we zelfs de pretentie om belangrijk te vinden dat we bestaan ?
Het bestaan is ons gegeven. We hebben er geen enkele verdienste aan.
In dat bestaan mogen we – hopelijk – wat genieten.
Door onze binding aan de aarde zijn we ook verbonden met de anderen. We bestaan altijd samen. Natuurlijk geeft dat ons wel wat verantwoordelijkheden waarin we de illusie kunnen koesteren dat we belangrijk zijn. Maar het leven zelf bouwt op naar het einde van dat leven – vanaf onze conceptie zijn we op weg naar ons sterven. Zo beseffen we onze kleinheid. We beseffen dat het leven ons gegeven is; en dat we het ooit moeten terug geven.
Dat besef cultiveren we te weinig.
De oude Romeinen wisten het al: momento mori – gedenk te sterven. De trappisten hebben dat devies overgenomen.
Een goede verstaander wordt er niet somber van. Integendeel: als je iedere dag bij het ontwaken bedenkt: eh seg, ik had deze nacht kunnen sterven, maar ik leef nog, begin je je dag positief.
Maar tegelijkertijd met de vreugdevolle dankbaarheid om te mogen bestaan, herinnert deze leuze ons ook aan onze kleinheid.
Wie zich klein voelt – zichzelf kan los laten – maakt zich minder druk; relativeert gemakkelijker; laat zijn gemoedsrust minder verstoren … is gelukkiger.
Wat heeft dat nu te maken met Onze Lieve Vrouw Hemelvaart ?
Apostelen iemand hebben zien opstijgen. Zomaar. Geen takels of motoren, geen thermiek. Iemand maakt zich los – wordt losgemaakt – van de aarde en verdwijnt in de kosmos. Ze hebben het tweemaal meegemaakt: met Jezus en met zijn moeder.
De mythologische taal spreekt van ten hemel opneming.
Een beetje geschoolde katholiek zal weten dat je de kosmos niet zo maar mag vereenzelvigen met God, en dus ook niet met de hemel, maar als je dat mythologisch denken achter je laat, wordt in dit verhaal en taalgebruik wel duidelijk gemaakt dat dit loskomen van de aarde tot geluk (de hemel) leidt.
Dit loskomen is ook verbonden met sterven. Alleen doden stijgen op naar de hemel.
Rare God die zijn hemel voorbehoudt voor doden.
Raar verhaal.
Alhoewel: eigenlijk is het niet moeilijk: als je wil opstijgen, moet je ballast overboord gooien.
Als je de mythe mythe laat zijn – als je de mythologische taal als mythologische taal begrijpt – krijg je wel een aanvoelen, een idee van waar het om gaat.
Ik ga proberen om dat aanvoelen, die idee te vertalen naar onze gewoon menselijke taal.
Sterven, gevolgd door ten hemelopneming, is de mens die ”op gaat naar” en ”opgaat in” God.
Dat sterven kan je zien als een proces van zelfontlediging dat zich afspeelt tijdens ons leven en zijn ultieme vorm bereikt in ons sterven.
In de boodschap is het deze zelfontlediging die leidt tot volledige zelfvervulling. Zonder de zelfontlediging geen zelfvervulling.
Zonder zelfontlediging – zonder het besef van mijn nietigheid – is er geen besef mogelijk van wie ik echt ben. Hoe zou ik mezelf kunnen zijn zonder het besef van mijn plaats in de kosmos ?
Overloop eens je dag – je leven – en zie waar je je allemaal druk over maakt. Juist door je er druk over te maken, verlies je het besef van je plaats in de kosmos, van je nietigheid. Je mag het ook omdraaien: Door het besef van je nietigheid te verliezen ga je je druk maken. Welke richting je ook kiest: je geraakt de weg kwijt naar je diepste zelf .
Het woord diepste wijst op een andere mogelijke manier van uitdrukken. In plaats van over op te stijgen kunnen we het even goed hebben over neerdalen.
Teresa van Avila ziet de ziel als een burcht met verschillende opeenvolgende kamers die leiden naar de het middelpunt van de burcht. Het is een weg van buiten naar binnen; van oppervlakkigheid naar de diepte.
Ik snij nu vele bochten af.
In de buitenste kamers speelt ons actieve leven zich af; onze gedachten en gevoelens, ons streven …
In de zesde kamer komen we tot totale overgave.
Daar pas worden we volledig ons zelf.
In de zevende wordt onze ziel volledig één met God.
Voor wie het moeilijk heeft met het woord God:
Door ontlediging komen we tot totale overgave. Daar vinden we ons diepste zelf. Maar ontlediging leidt niet naar niets. Overgave veronderstelt iets of iemand aan wie we ons overgeven. Mijn diepste zelf krijgt pas zijn voltooiing bij die overgave.
Goed, je bent meegegaan in dit verhaal. Je ziet in en aanvaardt de idee van voltooiing. Welnu: aan die idee van voltooiing geven we een naam: God.
Voor mijn part mag je ook een andere naam verzinnen. Maar dan zullen nogal wat mensen je niet verstaan.
Ik beken.
Als wat wijzere mens dan jij, ga ik intellectueel mee in dit verhaal. En dus probeer ik het ook te beleven. Alleen ben ik nog niet ver opgeschoten op die weg. De wereld maakt het me ook niet gemakkelijk. Met deze uitspraak ontmasker ik natuurlijk mezelf: les excuses sont faites pour s’ en servir.
Als zelfs ik het moeilijk vind, hoe moeilijk moet het dan niet zijn voor jou ?
Maar troost je – het troost ook mij: Teresa van Avila wijst er ook op dat vooruitgang op de weg niet zo maar afhangt van onze prestatie. Als dat wel zo zou zijn, zouden we er prat op kunnen gaan en dat zou dan botsen met de fundamentele nederigheid.
In de volksmond heeft men het over de hemelvaart van Onze Lieve Vrouw. Maar de juiste term is ”ten hemelopneming”. Zij vaart niet. Ze wordt gevaren.
Natuurlijk moet ik zelf ballast overboord gooien. Maar dat is slechts een manier om het opstijgen toe te laten.
Daarzonder gaat het niet. Maar het opstijgen zelf gebeurt in overgave.
Maria heeft ooit een liedje gezongen:
Magnificat
Mijn ziel prijst en looft de Heer,
mijn hart juicht om God, mijn redder:
hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,
heilig is zijn naam.
Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht,
voor al wie hem vereert.
Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm
en drijft uiteen wie zich verheven wanen.
Heersers stoot hij van hun troon
en wie gering is geeft hij aanzien.
Wie honger heeft overlaadt hij met gaven,
maar rijken stuurt hij weg met lege handen.
Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,
zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd:
hij herinnert zich zijn barmhartigheid
jegens Abraham en zijn nageslacht,
tot in eeuwigheid.
https://www.bachvereniging.nl/en/bwv/bwv-243