God gebeurt

Is er ergens, overal, iemand, waarschijnlijk hier boven, die het heelal geschapen heeft en van ons houdt ?

Veel mensen kunnen het niet geloven. Ze hebben gelijk. Ik geloof het ook niet.

En ja, als je dan er over begint dat die iemand zijn Zoon naar de wereld heeft gestuurd om ons te verlossen van onze zonden, haakt iedere een beetje intelligent denkende mens af. Ook ik.

En toch.

Ik heb ik weet van de kosmos, van een oneindig aantal zonnestelsels, zwarte gaten … Einstein. En ik weet dat de aarde daarin een ding van niks is, en ik op de aarde al evenmin iets beteken. Als onze jongens binnenkort naar de oorlog trekken zal ook hen dat snel duidelijk worden.

En toch, als ik als mens naar de wereld kijk – als ik rondom mij kijk – ben ik het middelpunt van het heelal. Ik kan mezelf niet anders zien, juist omdat ik rondom mij moet kijken om weet te krijgen van mijn “om-geving”, van het heelal. Het draait om mij.

Die spanning tussen het weten dat ik een zandkorrel in de woestijn ben, en de ervaring dat ik het middelpunt ben, is interessant.

Ik ga snel wat bochten om, maar de moderne, ongelovige mens is iemand die de kleinheid van de mens wel wéét, maar in zijn voelen, denken, doen en laten, zich volledig overgeeft aan zijn ego-centrisme. Ok, je kan daar heel veel bedenkingen bij maken en je kan daar evenveel gradaties in zien als er mensen zijn, maar dat is wel de kern van de zaak.

Nu komt God in het spel.

God is niet iets of iemand, of, zoals velen toch nog geloven, een kracht.

God is een gebeurtenis. 

De vermaledijde metafysica had wel een juiste intuïtie als ze stelde dat God het Zijn is.

“Zijn” is niet iets of iemand, “zijn” is een gebeurtenis.

Dat die metafysica aan dat Zijn allerlei eigenschappen heeft gekoppeld is natuurlijk dwaasheid, want daarmee verandert de metafysica het Zijn naar een Zijnde en van een gebeurtenis naar iets of iemand.

We stoten hier al dadelijk op een fundamenteel probleem.

Ik spreek over “het” zijn. Eigenlijk staat die “het” er teveel, want die “het” wijst op “iets”. Maar vergeet nu even dat taalprobleem.

Het besef van mijn kleinheid als schepsel in het grote geheel van de schepping kan je verbinden met de “transcendentie”. De transcendentie is niet iets of iemand die transcendeert. Het is de gebeurtenis van het transcenderen.

God, de transcendente, moet worden: het gebeuren van transcenderen, noem ik God.

Geloven in God wordt dan: beseffen en aanvaarden dat ik getranscendeerd word; dat ik niet het middelpunt van het heelal ben. En leven volgens dat besef.

Dat geloof is niet “menselijk”. Want zojuist heb ik gezegd dat ik niet anders kàn dan mezelf zien als het middelpunt; dat de mens per definitie egocentrisch is. Het is onze gewoon menselijke status.

Geloven wordt dan een transcenderen van onze gewoon-menselijkheid.

Dat transcenderen van mezelf is niet evident. Iedere seconde van mijn bestaan wordt ik teruggeworpen op mezelf. Geloven is een constante “strijd”. Het vraagt voortdurende vernieuwde aandacht om te beseffen én om vanuit dat besef te leven. Gebed zou je kunnen zien als bewustwording van de transcendentie en van wat die betekent voor mijn dagelijks leven. We moeten véél bidden.

Als ik de transcendentie binnentrek in mijn concrete bestaan, kom ik op het spoor van Jezus. Johannes vat de boodschap van Jezus samen in drie woordjes: God is Liefde.

Liefde is niet iemand. God is niet iemand die ons liefheeft. Liefde is iets wat gebeurt.

Nogal wat gelovigen voelen zich bemind door God. Van mij mogen ze daarin kracht putten. Maar een gebeurtenis bemint niet. Een gebeurtenis draagt geen zorg voor mij. Er is geen hemelse iemand “waarop ik kan terug vallen, wat er ook gebeurt in mijn leven”. Er is niet iemand die ik dankbaar moet zijn voor het goede in mijn leven waarbij ik moet geloven dat het slechte in mijn leven niet zijn wil is en ik dus na dit leven compensatie zal krijgen … Maar ik mag wel dankbaar zijn voor het goede wat er gebeurt in mijn leven.

De intuïtie van Jezus en Johannes is juist: als je de basisidee van de transcendentie binnen trekt in het menselijk bestaan dan ga ik mezelf niet meer zien als het centrum. Ik ga mijn ego-centrisme overwinnen en (een beetje) bekwaam worden tot liefde. Ik ga de liefde laten gebeuren. Ik ga God laten gebeuren.

Je kan Jezus en Johannes niet verwijten dat ze God als iemand zagen. Ze leefden al een tijdje geleden en hadden geen benul van de metafysica. Overigens zit ook ik nog altijd met het probleem dat het bijna onmogelijk is om anders over God te spreken dan over iemand.

De liefde … ze … Ik wéét dat de liefde niet iemand is, en toch duid ik haar aan met een persoonlijk voornaamwoord. Ik verpersoonlijk ze.

God … hij …

Als de gelovige over God spreekt als “Hij”, kan je hem dat niet verwijten. Ook ik kan niet anders dan over God spreken als iemand.

Maar laat nu duidelijk zijn dat dit in feite verhullend taalgebruik is.

Samenvattend: God is een gebeurtenis. Geloof in God is besef van de transcendentie die mij losrukt uit het kosmologisch ego-centrisme, net zoals uit het binnen-menselijke ego-centrisme.

Het overstijgen van het ego-centrisme noemen we liefde.

De beleving van die liefde vraagt een constant volgehouden inspanning om ons bewust te worden en te blijven van de transcendentie en om ons leven door dit bewustzijn te laten bepalen en de liefde te beleven.

Als ik nu rondom mij kijk – dat is nog altijd toegelaten ! – in deze tijd van teloorgang van geloof, zie ik dat een massa mensen die inspanning niet meer doen. Ze vluchten weg naar genotprikkels, consumentisme. Een aantal naar beleving van macht, de ultieme vorm van egocentrisme. En dat maakt ons niet gelukkig.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *