Bezinning op zondag

JOHANNES 21,1-19   

In die tijd verscheen Jezus opnieuw aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. De verschijning verliep op deze wijze: Er waren bijeen: Simon Petrus, Tomas, die ook Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedëus en nog twee van zijn leerlingen. Simon Petrus zei tot hen: ‘Ik ga vissen.’ Zij antwoordden: ‘Dan gaan wij mee.’ Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets. Toen het reeds morgen begon te worden, stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.

Dit verhaal zit zo vol referenties dat het niet mogelijk is om ze hier allemaal te bespreken.

Voorop toch dit: juist omdat het om de referenties gaat, heeft de verteller geen aandacht voor het verhaal zelf. Het zit vol zaken die niet kloppen:

Jezus vraagt of ze wat vis hebben. Maar achteraf blijkt hij zelf er al te hebben, en zelfs te hebben klaargemaakt. 

Petrus kleedt zich aan voor hij in het water springt. Niet echt waarschijnlijk.

Het net is zo vol dat ze het niet opgehaald krijgen. Wat later sleept Petrus het op zijn eentje aan wal.

Natuurlijk weet ook de verteller dat zijn verhaal niet klopt. Maar het interesseert hem niet. Hij heeft belangrijker dingen te vertellen.

Je hebt verwijzingen naar het laatste avondmaal; naar de vermenigvuldiging van de broden en vissen; naar het verraad van Petrus, tot drie maal herhaald, tijdens het proces van Jezus, en in dat verband ook met de uitspraak van Petrus tijdens het laatste avondmaal waar hij verklaart dat hij Jezus zal trouw blijven, ook als de anderen dat niet doen; naar het kleed van Jezus dat de soldaten niet scheurden…

Opvallend is ook het feit dat Jezus Petrus niet aanspreekt met de naam die hij zelf hem gegeven heeft in het begin van het evangelie, toen hij de oorspronkelijke naam Simon veranderde in Petrus, de steenrots waarop hij zijn kerk zou bouwen. Als verteller gebruikt Johannes de normale naam Simon Petrus. Maar Jezus weigert hem Petrus te noemen, want toen hij in het lijdensverhaal Jezus drie maal verloochende en de haan kraaide, heeft hij zich allerminst een rots waarop men kan bouwen getoond.

Essentieel in het verhaal is het gebruik van het woord liefde.

Jezus vraagt Simon: bemin je mij ? In het Grieks: agapas me ? Het gaat over de agapè. Ik heb het in een vorige blog al gehad over eros en agapè. Eros is de egocentrische menselijke liefde. Agapè is de onbaatzuchtige onvoorwaardelijke goddelijke liefde. Jezus vraagt dus aan Simon: bemin je mij onvoorwaardelijk ? Maar Simon antwoordt: filo se. Hier gaat het over de filia, de vriendschap. Dat is een liefde die niet bindt, maar vrij laat, en hoger staat dan de eros. Simon wéét dat hij niet in staat is tot die goddelijke liefde. Maar de derde maal past Jezus zich aan en heeft het ook over de filia. Hij aanvaardt de onmacht van Simon. Dat is precies de betekenis van de agapè: de liefde voor degene die ze eigenlijk niet verdient, voor de onmachtige. Door het gebruik van filia, beleeft Jezus de agapè.

Hier komen we dus weer tot de kern van de christelijke boodschap: God is barmhartig. In mensentaal: we hoeven niet perfect te zijn. We mogen mislukken. Maar we moeten wel telkens opnieuw verrijzen, en op weg gaan naar de agapè.

Als mensen het woord God horen denken ze aan iets of iemand, ergens, ooit. Dat is een essentialistische benadering. In mijn ogen waardeloos. Ik wil hier het woord God in zijn existentialistische context zetten. God wordt dan die of dat waar ik voor leef; die of dat ik mijn leven laat bepalen; die of dat voor mij al het andere overstijgt. Nu maak ik een kleine denksprong, en draai het zinnetje om:  God is barmhartig wordt dan: barmhartigheid is God. Barmhartigheid is waarvoor ik wil leven…

Puur logisch gezien is die omkering niet echt correct. Ze zou correct zijn als er stond: God is alleen barmhartigheid. Hij is niets anders. Hetzelfde geldt voor “God is liefde”. Als ik zeg God is liefde, impliceert dat dat Hij meer kan zijn of is dan liefde. Zo bijvoorbeeld is Hij ook zingever. Maar niet toevallig valt de zin van ons leven als christen ook weer samen met liefde en barmhartigheid, en op die manier is mijn logische incorrectheid toch weer correct.

Het leven kan mooi zijn. 

PS Ik wil toch nog iets zeggen over de afbeelding die ik bij deze tekst heb gezet.  De zee is voor de Joden een plaats van onheil en dood. Daarom waren ze geen zeevarend volk, ook al hadden ze een mooie kust. Hier wordt dat nog duidelijker doordat de zee zich in een onderaardse grot schijnt te bevinden. Die grot staat dan weer voor het graf. Opvallend is dat niet Jezus in het graf is, maar wel de apostelen. En dat Jezus als de levende hen oproept om uit het graf te komen. De vis is in het Nieuwe Testament, samen met het brood, voedsel dat leven geeft. Zonder Jezus is er geen vis. Mét hem is er leven in overvloed. En dat leven is gelinkt aan de vraag: bemin je mij ?

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *