Het christelijk geloof is geen therapie

Ignis

Guido Dierickx

Geloofsbeleving als therapie, dat is niet zonder gevaar

Op zich is het geen kwade zaak dat de ‘therapeutische’ functie van de geloofsbeleving centraal staat in de kerkelijke gemeenschap. Wie heeft hetzelfde te bieden aan onze door eenzaamheid en zinloosheid bedreigde samenleving? Maar dat heeft wel risico’s

Ongelovige vrienden bekijken me raar als ik me beken als gelovige en dan zeg dat ik God voor niets nodig heb.

Het lijkt een algemeen aanvaard idee dat godsdienst te maken heeft met behoeftenvervulling.

Bij die behoeften kan het over van alles gaan. Er zijn mensen die kaarsjes branden om te winnen op de Lotto, een nogal materialistische bedoening en het lijkt me dat het woord godsdienst hier niet echt op zijn plaats is. In plaats van geloof past hier het woord bijgeloof.

Maar wat met mensen die een kaarsje branden bij een risicovolle operatie ?

Een en ander heeft te maken met het godsbeeld. Voor nog al wat mensen is God een “probleemoplosser”.

Nu is het natuurlijk zo dat godsdienst oorspronkelijk wel ontstaan is vanuit een nood om problemen opgelost te krijgen waar de mens machteloos stond.

Godsdienst is ontstaan toen de primitieve mens zich er van bewust werd dat er hogere krachten (bv. donder en bliksem) zijn, waar hij geen vat op heeft. Die krachten werden god genoemd. De mens probeerde dan om die krachten gunstig te stemmen door gebeden en offers.

Dat godsbeeld leeft nog bij vele mensen. Je kan het ze zelfs niets kwalijk nemen, want bij ieder van ons leven nog heel wat impulsen en reflexen die dateren van de tijd dat de mens nog in grotten huisde. Ons reptielenbrein bestaat nog.

Laat het duidelijk zijn dat ik het godsbeeld van de probleemoplosser totaal afwijs, precies omdat het zo primitief is. Dat betekent niet dat ik kleinerend neerkijk op mensen die nog met resten van dat primitieve geloof zitten. Als er een ding is dat de echte gelovige moet kenmerken dan is het respect voor menselijke kleinheid of zwakheid.

Veel mensen vinden ook troost in hun geloof. Denk maar aan verdriet bij overlijden en afscheid.

Tenslotte zoeken en vinden mensen in het geloof ook zingeving voor hun leven.

Hier wordt het primitieve van godsdienst al wat overstegen, maar we zijn we nog niet bij het echte volwassen geloof; het christelijke volwassen geloof.

Want bij alle vormen van godsdienst die ik hierboven heb geschetst blijft de mens – ik – het centrum van de gelovige geestelijke activiteit.

Ik zoek troost. Ik zoek zingeving…

Het eigene van de boodschap van Jezus ligt er in dat niet meer ik, maar de andere centraal komt te staan. Dat is het begrip Liefde in “God is liefde “ (1 Joh. 4,8)

Het woord God betekent dan dat die liefde niet zo maar iets vrijblijvend is. “God” duidt op een plicht. Meer nog: op een alles overstijgende plicht. “God” wil zeggen dat die liefde het enige echt belangrijke is. Wie God aanvaardt, geeft vrijheid op: hij aanvaardt een gebod: bemin !

Natuurlijk krijgt hij er een andere vrijheid voor in de plaats: de vrijheid van de oprechte en  totaal onzelfzuchtige minnaar.

Want ook dat is belangrijk: de goddelijke liefde is nog iets anders dan de menselijke liefde: de menselijke liefde zoals we die klassiek kennen tussen man en vrouw en tegenwoordig tussen alles wat daartussen in mogelijk is. Want die liefde wordt gekenmerkt door wederkerigheid. Ze vraagt om wederliefde. De vraag om wederliefde is een beperking van de vrijheid want ze betekent binding. Het huwelijk is niet voor niets een contract.

Neen, geen slecht woord over deze menselijke liefde. Nogal wat mensen zijn niet genoeg gegroeid in menselijkheid om tot die liefde met wederliefde bekwaam te zijn. En mensen die dat wel zijn, bereiken sowieso een hoogtepunt van menselijkheid.

Maar dat is het typische van het begrip god: het radicaliseert en het radicaliseert tot in het oneindige. Het is het extreemste extremisme.

Je kan de mensheid zien als een schepping in groei naar volwassenheid (Teilhard de Chardin: een evolutie van het primitieve alfa van zelfbetrokken individuen naar de totale harmonie van het omega. In die evolutie bereikt de mens die bereid en bekwaam is tot menselijke liefde al een hoog peil en vermits ik het altijd heb over de menselijke liefde, zou je kunnen denken dat dit het voor de mens hoogst haalbare peil is. De godsidee echter roept de mens op om te streven naar nog meer groei in menselijkheid…

Tussen haakjes: daarom is het christendom een humanisme en wil ik het zelfs geen godsdienst meer noemen. Het blijft wel religie in de betekenis van verbinding; verbinding van mensen met mekaar en verbinding met de schepping, kosmos, of hoe je het ook wil noemen.

En neen, ik ben niet zo maar bekwaam tot die goddelijke liefde. Ik ben God niet. Maar als gelovige wil ik wel ingaan op de oproep om te pogen om te blijven groeien in bekwaamheid naar de goddelijke liefde toe.

In de mate dat ik er in slaag om van die oproep de kern van mijn leven te maken, zal mijn geloof natuurlijk ook zingevend worden en zelfs troostend, al zou het misschien beter zijn om te zeggen dat ik geen troost meer nodig heb.

Maar nogmaals: ik ben God niet en de volkomenheid zal ik nooit bereiken. En ja dus: ik heb nog troost nodig in mijn leven, net zoals ik niet zonder wederliefde kan.

Wie mij zou willen beschuldigen van hypocrisie als ik niettegenstaande de mooie woorden van deze blog nog iemand zou kwetsen of zoeken naar troost, mag een serieuze klop op zijn dwaze kop en een pijnlijke stamp onder zijn kloten verwachten. Want: ik ben God niet !

PS “Stamp onder zijn kloten” is in deze gendergeobsedeerde tijden natuurlijk fluïdaal bedoeld. 

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *