Bezinning op zondag

Pasen

Johannes 20, 1-9

Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena, vroeg in de morgen ‑ het was nog donker ‑ bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggerold.

“Beste kijkers, we gaan nu over naar onze reporter ter plaatse…  Johannes, hoor je mij ? … Johannes ?… Ja, Martine, ik hoor je… zoals je ziet, hier achter mij…”

De kijker verwacht dan een zo nauwkeurig en adequaat mogelijk verslag van de gebeurtenissen. Nogal wat mensen lezen zo het verhaal van de dood van Jezus. Alleen: de reporter was misschien wel ter plaatse, maar hij brengt verslag uit ongeveer honderd jaar nà de gebeurtenissen. Het evangelie van Johannes is geschreven rond het jaar honderd. En dat verandert de hele zaak.

Want ondertussen heeft die reporter die gebeurtenissen gekaderd, geïnterpreteerd en er conclusies uit getrokken. Eigenlijk gaat het hem er niet meer om, om die gebeurtenissen te vertellen. Hij wil ons overtuigen van zijn conclusie, en dat kleurt zijn verslag. Eigenlijk doen we dat allemaal voortdurend. Je krijgt dan een verhaal waarbij het niet meer gaat om wat er verhaald wordt, maar om de betekenis van het verhaal. En als dat dan om diepe algemeen menselijke, universele betekenis gaat, komen we in de sfeer van de mythe. De evangelies en ook het verhaal van de dood van Jezus zijn mythes. 

Maar natuurlijk moet ook in een mythe het verhaal nog een zekere geloofwaardigheid hebben. De evangelist kan niet zo maar helemaal zijn fantasie volgen. En dan stelt zich de vraag: is zo iets als een verrijzenis geloofwaardig ? Op dit punt moeten we er ons van bewust zijn dat het niet gaat om de geloofwaardigheid voor ons, een en twintig eeuwen later, maar om de geloofwaardigheid voor de verteller zelf, en voor zijn toehoorders.

In de tijd van Jezus,  was het bij de Joden de gewoonste zaak van de wereld om te geloven in de verrijzenis. Iedereen geloofde daarin. De Joden geloofden nu eenmaal dat ooit de graven zouden opengaan (de steen wordt weggerold !) en dat de lichamen van de doden daar weer levend zouden uit opstaan. Tot zo ver is het verrijzenisverhaal in het Joodse denken eigenlijk nogal banaal. 

Het is dus op zich niet verwonderlijk dat het thema van de verrijzenis opduikt in de mythe.  Wél speciaal is het feit dat het Jezus is die verrijst. Blijkbaar hadden zijn volgelingen dat totaal niet verwacht.

Hoe ontstaat dan toch die overtuiging dat Jezus verrezen is ? Het is duidelijk dat Johannes wat tijd nodig heeft gehad om de figuur van Jezus te plaatsen, en de impact van zijn boodschap te beseffen. Maar zijn reflectie heeft hem tot de overtuiging gebracht dat hij in Jezus God heeft gezien. En dan wordt een verrijzenis helemaal plausibel, en zelfs noodzakelijk: het kàn gebeurd zijn omwille van het Joodse denken. En het moét gebeurd zijn, omwille van de persoon van Jezus.

Wie is dan die God van Jezus ? Wel, Hij is Abba, een goed vadertje. Denk aan de parabel van de goede vader. Johannes zegt het meer filosofisch: God is liefde. En het bewustzijn van die Liefde is tot ons gekomen door de boodschap en de persoon van Jezus.

Dat een verrijzenis voor ons gewoonweg niet kan, doet niet terzake. Het gaat om wat de auteur van de mythe gelooft. Ik ben nu dus helemaal niet meer bezig met de vraag wat er nu echt gebeurd is. Ik zit in een mythe en zoek de betekenis van het verhaal.

Daarbij moeten we heel goed beseffen dat de kruisdood, en de verrijzenis een éénheid zijn. Zonder de kruisdood kan je de verrijzenis niet begrijpen. De kruisdood staat voor extreme wreedheid of kwaad. Kwaad dat de strijd aangaat met de liefde (God is liefde), en die strijd schijnt te winnen. Als dat kwaad er niet is, kan het niet in de verrijzenis overwonnen worden. Of nog: de verrijzenis als liefdesgebeuren krijgt pas zin als reactie op kwaad. Zonder kwaad heeft de verrijzenis geen zin. Ik denk niet dat er veel mensen zijn die ontkennen dat er kwaad is in onze wereld. Kwaad is een evidentie.

De liefde is niet evident. De christen die rationeel gelooft in de verrijzenis, weet dat de “natuurtoestand” van de mens het egoïsme of egocentrisme is. Er bestaat geen egocentrischer mens dan een baby. De kruisdood past in dit egocentrische, natuurlijke gebeuren. De verrijzenis overstijgt dat natuurlijke. En daarin liggen twee elementen vervat.

Een mens moet voortdurend verrijzen: hij moet voortdurend groeien in bekwaamheid en bereidheid tot liefde, in een overwinning op het egoïsme en egocentrisme. En dat is geen evidentie in een wereld waarin het gebrek aan liefde de natuurlijke norm is. Verliefdheid is natuurlijk, maar bedenk dat verliefdheid eigenlijk egoïsme of egocentrisme is, het tegendeel van liefde. Liefde is een verworvenheid, resultaat van inspanningen en groei. In die inspanningen moet de mens zichzelf “ontledigen”. De kruisdood is een beleven van ontlediging. Of liever: dat Jezus de kruisdood aanvaardt is een beleving van ontlediging.  Liefde ontledigt zichzelf, om de andere te vullen. En dan komt de paradox van de liefde: slechts door zich te ontledigen, wordt de mens helemaal zichzelf. Of nog: de liefde brengt de mens tot volle volwassenheid. Maar wie gaat liefhebben om zichzelf te worden, valt natuurlijk uit de prijzen, want dan is zijn liefde geen liefde. Die ontlediging vinden we terug in de kruisdood. Het zichzelf worden is de verrijzenis. Beide gebeurtenissen lopen door mekaar. Op het kruis is Jezus al aan ’t verrijzen.

Maar, zoals gezegd, de kruisdood heeft nog een ander kader: het kader van de menselijke slechtheid. De kruisdood was zowat het wreedste wat men iemand in die tijd kon aandoen. De kruisdood staat dus niet enkel voor wat er aan de kant van de liefhebbende gebeurt, de ontlediging, maar ook voor wat er aan de kant van het kwaad gebeurt. Geloof in de verrijzenis wordt dan geloof in de overwinning van de liefde op de slechtheid. Slechtheid is niet uit te roeien, want ze is de  natuurlijke toestand van de mens. Maar de liefde is niet kapot te krijgen. Enkel in dat geloof kan ik leven. Enkel in het geloof in de verrijzenis kan ik mezelf worden. En mezelf worden – door de liefde – is een vorm van verrijzenis.

Tenslotte: heb ik voor deze bedenking eigenlijk God nodig ?

Het hangt ervan af hoe je God bepaalt. Als ik God zie als een kracht, heb ik die God nergens voor nodig. Het is niet God die mij bekwaam maakt tot liefde. Want anders zou er niemand nog slecht zijn. Voor mij is God de Allerhoogste, de Allesoverstijgende, Iets of Iemand die ik mijn leven laat bepalen. En die God is liefde. Met andere woorden: als ik zeg dat ik in één God geloof, dan zeg ik dat er in mijn leven één allerbelangrijkste is, waarvoor al het andere moet wijken. En als die God, de God van Jezus is, is de beleving van de liefde voor mij het allerbelangrijkste in mijn leven. 

En nu moet ik mea culpa zeggen: want ik kan dat nu wel beweren, maar de feiten bewijzen het: ik maak het niet waar. Ik heb veel mensen pijn gedaan, al was het misschien niet zo bedoeld. Dat is erg, maar ik ga er niet aan kapot, en altijd opnieuw vind ik de kracht (niet van God, maar in mijn geloof) om “opnieuw” te beginnen. Want ik ben nog altijd aan ’t verrijzen.

Is Jezus écht verrezen ? Ja, natuurlijk, want ik doe het elke dag. Maar niet als ik Maggie het blok tegen kom.

PS Ik besef dat sommige aspecten van mijn bezinning vragen kunnen oproepen. Zo bijvoorbeeld zou de idee van ontlediging dieper uitgewerkt moeten worden, zowel in het kader van de kruisdood als van de liefde. Maar  daar is hier nu eenmaal geen plaats voor. Wie vragen, opmerkingen, of opwerpingen heeft, kan die altijd posten in een reactie. Ik zal zeker mijn best doen om ze te beantwoorden. 

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *