Bezinning op zondag

ROMEINEN 5,1-5

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de
christenen van Rome

Broeders en zusters,
Gerechtvaardigd door het geloof
leven wij in vrede met God
door Jezus Christus onze Heer.
Hij is het die ons door het geloof de toegang heeft
ontsloten
tot die genade waarin wij staan;
door Hem ook mogen wij ons beroemen
op onze hoop op de heerlijkheid Gods.

Farizeeën

Het lijkt oude dooie boel, maar in mijn besluit zal blijken dat dit een echt wel actueel thema is.

Gerechtvaardigd door het geloof.        

Om deze woorden te begrijpen moeten we teruggaan naar het geloof van de Farizeeën. Ja, de mensen die Jezus witgekalkte graven noemde, mooi van buiten, maar vol rottigheid van binnen.

Die Farizeeën zagen God als een rechtvaardige rechter. Nu was dat godsbeeld natuurlijk een grote vooruitgang, vergeleken bij het godsbeeld van, bijvoorbeeld, de Grieken die God zagen als een supermens die spelletjes speelde met de gewone mensen. En toch is het tegen het godsbeeld van de Rechtvaardige God dat Jezus in opstand komt. Hij stelt daar tegenover het beeld van God die Liefde is.

De rechtvaardige rechter zal de mens beoordelen op zijn daden, of liever, in de Joodse context, op het naleven van de Wet. Maar dat houdt ook in dat de mens door zijn daden zijn hemels heil kan afdwingen. Het is een vorm van hoogmoed die niet past bij de fundamentele nederigheid van Jezus, zoon uit een ongeregeld gezin van armoezaaiers, geboren in een stal tussen het uitschot van die tijd. Een Jezus die zich van één zaak totaal bewust is: macht is geen oplossing; voor niets. En dus kan de mens ook geen macht hebben over God, en zijn heil van God afdwingen. En eveneens wil/kan de God van Jezus dus ook niet de macht hebben om de mens te oordelen en veroordelen. Tenzij op één punt: de Liefde. Want God is liefde. God is de allerhoogste, de allesoverstijgende machteloze liefde. Of: de goddelijke liefde is het allerhoogste.

Als Paulus het woord “gerechtvaardigd” gebruikt, speelt hij in op de denkwereld van de mensen, Joden, tot wie hij zich richt. Hij probeert binnen die denkwereld te blijven. Hij blijft binnen de categorie van de rechtvaardiging, maar maakt die los van de Wet. Niet de Wet is de weg naar het heil, maar het geloof. Geloof staat hier niet voor “iets” geloven, maar voor “in iets geloven”,  in iemand vertrouwen hebben.

In de klassieke theologie zegt men dan dat het geloof, of Christus, de mens bevrijdt van de zonde. Dat is een rare voorstelling van zaken, want ik kom echt nog heel veel zonde tegen. Als deze voorstelling juist is, is het geloof, of Christus, grandioos mislukt. 

Maar als je de zaak in de context van de tegenstelling” geloof – wet” plaatst, en de tegenstelling “God rechtvaardig – God Liefde”, krijg je een andere betekenis: het geloof redt ons van de zonde, niet door de zonde weg te nemen of uit de wereld te helpen, maar door het geloof dat we niet zullen afgerekend worden op onze overtredingen van de wet. Eigenlijk is dat een zeer realistische benadering. De mens is wie hij is, onvolmaakt en zondig. En toch kan de mens gelukkig zijn. Niet volmaakt gelukkig, maar gelukkig. 

In een andere passage van het Nieuwe Testament blijft ook Jezus binnen het kader van het oordeel, maar stelt dat we zullen geoordeeld worden op wat we hebben gedaan voor de armen, de hongerigen, de zieken, de gevangenen, de vreemdelingen… Want wat we aan hen hebben gedaan, hebben we aan Jezus gedaan… Dat heeft niets te maken met het naleven van de Wet, maar wél met dat ene gebod dat Jezus geeft in het evangelie van Johannes: heb elkaar lief…

In alles wat ik hier heb gezegd klinkt het mythologisch taalgebruik door. Laat me een poging doen om het in onze gewone mensentaal te zeggen.

Gewone mensentaal: ook wie er niet in slaagt de Wet te beleven; wie zwak is; wie fouten maakt… “

mythische taal: kan in de hemel komen en Gods heil  bereiken

gewone mensentaal: kan gelukkig zijn. 

Of nog: 

gewone mensentaal: we mogen fouten maken en zwak zijn

mythische taal: want de God van liefde vergeeft en is barmhartig 

gewone mensentaal:  we moeten niet blijven stilstaan bij onze fouten, onze schuldgevoelens. Het kan zijn dat anderen ons niet vergeven, maar we moeten onszelf niet veroordelen. Onze fouten moeten ons nederig maken, maar niet ons zelfbeeld aantasten. Met andere woorden: onze zwakheid maakt van ons geen zwakke mens. Elders zegt Paulus dat onze zwakheid onze kracht is. Een rare uitspraak, maar in deze context begrijpelijk: want wie zwak is, en toch sterk blijft, is sterker dan wie sterk is  (of denkt dat hij sterk is).

En wat heeft God dan nog van doen in die gewone mensentaal ? 

Twee zaken: 

Ten eerste: God is de allerhoogste, de absolute. Als hij garant staat voor deze barmhartigheid, is deze absoluut. Niets of niemand mag of kan mijn zelfvertrouwen aantasten. In een andere sfeer: ik mag me kwetsbaar opstellen.

Ten tweede: God is Liefde in de zin dat de Liefde een absolute opdracht is.  Wie het  heil wil kennen (heil, heel mens zijn) is niet vrij om al dan niet lief te hebben.

En die liefde is geen zoeterige zaak van mooie gevoelens, maar keihard: wat heb je voor de minsten van de mijnen gedaan ? Voor de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de gevangenen, de vreemdelingen ?

Sorry ! Ik heb zojuist toch weer mythische taal vermengd met gewone taal. Misschien kan het ook niet anders. Maar als ik de mythische taal als zodanig herken, is dat geen probleem.

En nu het besluit in echt gewone mensentaal: het probleem van onze tijd en plaats bestaat er in dat we wel de wet hebben laten vallen, maar ze niet vervangen hebben door de universele liefde.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *