Onderwijs en sociale verschillen

MO*

JOHN VANDAELE

Wie geboren wordt in een arm gezin, loopt al snel jaren achterstand op Onderwijs wist sociale verschillen niet uit

Drie jaar leerachterstand. Dat is het resultaat van sociaal-economische ongelijkheid tegen de tijd dat leerlingen vijftien zijn. Behoren je ouders tot het rijkste kwart van de samenleving, dan scoor je voor wetenschappen gemiddeld 540 punten in het internationaal vergelijkend PISA-onderzoek. Als je ouders tot het armste kwart behoren, is de gemiddelde score nog 452 punten

Een ex-collega, niet dom, maar  nog starder in zijn denken dan ik, had twee zonen. De oudste, ook niet dom, maar ook niet echt slim haalde een – in die tijd – diploma op niveau regentaat. De jongste echt heel slim wilde universitaire studies doen. Dat kon niet voor die vader, want dan zou hij meer geld “geven” aan de jongste dan aan de oudste…

Dat is precies wat nep linksen doen die lijden aan politiek correcte idiotie en ideologische blindheid: ze zijn  niet bezig met de vraag: wat is goed voor dit kind, maar met de vraag: wat is rechtvaardig ?

Als het goed is voor een kind om op een “witte school” te zitten, dan moet dat kind naar die school, en dan is dàt rechtvaardig.

Daarmee heb ik niet voor witte scholen gepleit.

Een school heeft een dubbele opdracht: het leerproces en de creatie van een opvoedingsmilieu. Laat me beginnen met het leerproces.

Daarin spelen twee factoren: de aanleg van het kind en het niveau waarop het zich bevindt.

Elk kind heeft recht op onderwijs op zijn niveau van aanleg. Het is onaanvaardbaar dat andere kinderen dat niveau van aanleg omlaag halen. Dat gebeurt onvermijdelijk in een klas met leerlingen met een groot niveauverschil. Gedifferentieerd onderwijs kan een oplossing bieden, maar slechts binnen een beperkt niveauverschil. Of wil iemand er voor pleiten om de domste leerlingen samen in de klas te zetten met de slimste van de school ?

Er is slechts één oplossing: de klassen moeten worden samengesteld met een zo homogeen mogelijke populatie.

Je hebt ook het niveau van vertrek. Daar waar sociale afkomst niet dadelijk in verband kan worden gebracht met aanleg – ook bij armen worden er echt slimme kinderen geboren – is dat wel zo voor niveau van vertrek. Als een kind dat opgroeit in een gezin waarin vader of moeder nooit een boek lezen en de waarde van goed onderwijs zelfs niet inzien –  wie poten aan zijn lijf heeft zal zijn kost verdienen – zal op een lager niveau op school aankomen dan een kind dat opgroeit in gezin waarin de ouders bemiddelde intellectuelen zijn. 

Het heeft geen kind te laten starten op een niveau waar het niet aan toe is. Als je dat doet, vraag je aan het kind om op een trein te springen waar het niet op geraakt, en dan blijft het maar achter die trein aanhollen. Kinderen met veel aanleg die op het aangepaste niveau starten, kunnen na verloop van tijd hun achterstand wel inhalen, maar niet als ze van bij de start al gehandicapt zijn doordat het  niveau te hoog ligt.

Aanleg en startniveau moeten beslissend zijn in de samenstelling van de klassen. Daarbij mag sociale afkomst geen rol spelen.

Maar kinderen met verschillende aanleg en startniveau in één klas samen zetten, in naam van gelijke kansen is misdaad. 

Noteer dat ik het over de “klassen” heb, en niet over de scholen. Ik ben niet voor elitescholen met enkel klassen voor hoger begaafden of kinderen uit hogere sociale klassen met een hoog startniveau. Het is perfect mogelijk om binnen dezelfde school voor hetzelfde studiejaar verschillende klassen op verschillende niveau’s te organiseren. Dat vraagt wel een voldoende aantal leerlingen. Ik pleit dus voor grote scholen.

Je zou natuurlijk ook de scholen zelf op verschillende niveau’s kunnen organiseren. Je krijgt dan elitescholen – nu witte scholen – en scholen op lager niveau – concentratiescholen… Ook de klassieke opdeling tussen scholen die enkel algemeen onderwijs aanbieden, (de colleges en athenea) en de technische en beroepsscholen stoelt op dat principe, al speelt daar natuurlijk ook het grote verschil, niet in studieniveau maar in onderwerp van de studie een rol.

Maar naast het didactische aspect, is er in het onderwijs dus ook het pedagogische. Precies daarom pleit ik voor grote scholen waarin verschillende niveau’s van aanleg, start en sociale klassen samenkomen. Dat heeft niets te maken met een “brede eerste graad”, want die is een aanfluiting van mijn basisprincipe van homogene klassen.

Bij het pedagogische aspect is de ontmoeting met anderen van andere niveau’s belangrijk. En dat in twee richtingen: de hoger begaafden moeten leren waardering op te brengen voor de minderen, en de minderen moeten leren dat ook hoger begaafden gewoon maar mensen zijn en dat ze niet minderwaardig zijn omdat ze wat minder, of anders werkende hersencellen. 

Uiteraard is het niet genoeg om leerlingen in één schoolruimte samen te brengen om dat pedagogische doel te bereiken. Er moet ook een echt pedagogisch project zijn dat daar aan werkt. Ik kan zo’n project hier niet uitwerken. Maar ik denk aan gezamenlijke lessen lichamelijke opvoeding en sportbeleving waarbij leerlingen van verschillende afdelingen in één ploeg worden samengebracht. Er zijn zeker nog andere “gemengde” activiteiten te bedenken.

Daarmee is zeker niet alles opgelost. Onderwijsachterstand die essentieel te wijten is aan armoede kan enkel opgelost worden door het probleem van de armoede op te lossen. Maar dat is binnen het kapitalisme niet mogelijk. 

En we zitten tegenwoordig ook met een bevolkingsgroep waarin de onderwijsachterstand te wijten is aan gebrek aan integratie waarbij de wil om te integreren ontbreekt. 

Wie me nu wil beschuldigen van vlaams blok praat, hij doet maar.

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *