Of hoe verveling tot geloof kan leiden

Doorbraak

Els van Doesburg

Leid ons niet in verstrooiing

Uit verveling volgt zelfconfrontatie

‘Verveelt ge u niet te veel?’ Dé vraag die tegenwoordig in elk gesprek met vrienden, buren en collega’s wordt gesteld. Je kan ook geen nieuwssite bezoeken of je wordt bestookt met tips voor tijdverdrijf in quarantaine (‘De tien meest binge-waardige Netflixseries!’). De beroemden der aarden zetten filmpjes op sociale media waarin ze zuchtend en steunend van aan hun zwembad de wereld meedelen dat ze so bored zijn en ook de gewone sterveling deelt zijn zelfbeklag graag in Twittervorm

Verveling is een gevolg van leeghoofdigheid.

Zo, nu weten jullie al dadelijk waarvan ik jullie verdenk. Bij velen is het geen verdenking, maar wéét ik het.

Net zoals absolute stilte niet bestaat, bestaat er ook geen absolute leegte. Dat betekent dat een leeg hoofd wel vol is. Maar het is gevuld met onbenulligheid.

Dat is dus de eerste vraag die jullie je moeten stellen ( ik ben daar al lang aan voorbij ! ) : waarmee is je hoofd gevuld ?

Begin dan met een lijstje te maken waarin je je vulling een plaats geeft in volgorde van onbenulligheid. Bovenaan staat dan het onbenulligste. Probeer een streep te trekken daar waar je denkt dat de onbenulligheid overgaat in benulligheid. Het kan zijn dat dit een vertikale streep wordt waarmee je een aantal zaken aangeeft waarvan het eigenlijk niet duidelijk is tot welke categorie ze behoren.

Tot dan is het gemakkelijk, want de kans dat je iets benulligs bij het onbenullige hebt gezet is klein. Met dat bovenste deel van je lijstje moet je je dus niet meer bezig houden.

Maar het gedeelte onder je streep vraagt wel nog herhaling van reflectie: zitten er geen items tussen die eigenlijk toch boven de streep zouden moeten staan ?

Je komt dan voor vragen te staan zoals: is dit probleem eigenlijk wel zo groot als ik het me voorstel; zou dit nog een probleem zijn als ik minder met mezelf zou bezig zijn, en meer met anderen; wat zegt het over mij dat ik dit zo belangrijk vind; en wil ik eigenlijk wel zo iemand zijn… ?

Tenslotte kom je bij de vragen: wie ben ik eigenlijk ? Ben ik altijd zo geweest ? Hoe komt het dat ik ben wie ik nu ben ? En wil ik zo verder gaan ?

“Wie ben ik eigenlijk ?” kan je ook stellen als: “waarvoor leef ik eigenlijk ?”

Die thema’s vragen om ontmaskering en uitzuivering van motieven.

Een voorbeeld: een aantal mensen zullen spontaan antwoorden: ik leef voor mijn kinderen; ik doe alles voor hen; heb er alles voor over… Maar in hoeverre probeer ik in mijn kinderen eigenlijk mezelf te verwerkelijken ? In hoeverre zijn mijn kinderen een manier om aanzien bij anderen te verwerven ? In hoeverre probeer ik mijn kinderen te laten lukken waar ik zelf mislukt ben ? In hoeverre probeer ik mijn kinderen te boetseren naar mijn eigen beeld en gelijkenis ? Enzovoort.

Natuurlijk kan zulke oefening geen uren en dagen van leegte opvullen. Maar door de oefening zal er minder leegte zijn die moet opgevuld worden. Of nog, wie af en toe zo ’n oefening doet, zal minder last hebben van verveling, want na de vraag “waarvoor leef ik ? ”, zal hij uitkomen bij de vraag: waarvoor wil ik leven ? Eenmaal die vraag beantwoord, zal hij telkens opnieuw uitdagingen vinden om het doel van zijn leven waar te maken. En telkens opnieuw zal hij de oefening moeten maken van de uitzuivering van zijn motieven.

Ja, ik weet: de heidenen onder jullie zullen nu zeggen: daar is hij weer met zijn christendom. Maar in mijn geloof in de boodschap van Jezus vind ik wel een diepe grond voor mijn antwoord op de vraag: waarvoor wil ik leven. Er zijn twee mogelijkheden: ik leef voor mezelf; of ik leef voor iets wat me overstijgt. Dat overstijgen kun je ook bepalen als transcendentie. Als ik aanvaard dat iets me overstijgt is de vraag: wat dan wel ? Het antwoord van Jezus is duidelijk: God is Liefde. Daarbij staat God voor het begrip transcendentie en Liefde voor de inhoud van dat begrip. Om het heel simpel te zeggen: ik aanvaard dat er een overstijgend iets/iemand is, die me oproept om het zwaartepunt van mijn leven buiten mezelf te leggen. Die oproep is fluisterend, want niemand is verplicht om hem te horen, maar voor wie hem hoort is hij wel dwingend. Door mijn aanvaarding geef ik vrijheid op. Maar tegelijkertijd win ik nieuwe en diepgaander vrijheid: ik word vrij om lief te hebben. Mijn ik-betrokkenheid als rem voor openheid voor het (de schepping) en de andere (mens) wordt afgebroken en in de mate dat dit gebeurt, groeit mijn bereidheid en bekwaamheid tot liefde.

Daarbij nog twee bedenkingen.

Ten eerste: het gaat hier niet om alles of niets. Het is duidelijk dat aanvaarding van het overstijgende niet zo maar plots mijn ik-betrokkenheid afbreekt en vervangt door bekwaamheid tot liefde. Het gaat om een proces en een levenslange opdracht tot groei. Die groei kan met vallen en opstaan gepaard gaan.

Twee: het woord liefde kan melig klinken, maar heeft niets vandoen met sentiment of gevoeligheid. Liefde is een keiharde opgave. Zeker als je streeft naar de liefde zoals Jezus die opvatte, en die zo ver gaat dat ze zelfs de vijand lief heeft. Ik geef toe dat ik daar nog wel wat werk aan heb. Een reden om te proberen om nog wat langer te leven en de richtlijnen over de virus crisis strikt op te volgen. Als ik niet oppas lijk ik Van Ranst wel. En dat zou wel héél erg zijn.

Tenslotte: heb je het geloof nodig om een goed mens te zijn ? Natuurlijk niet. Maar de bewuste omgang met de opgave tot liefde die eigen is aan het christelijk geloof is wel een kracht in de beleving er van. Er is een verschil tussen goed zijn vanuit een goed hart, en goed zijn omdat het moét. Of zoals de niet genoeg gewaardeerde Schopenhauer, het zegde: voor een christen is liefde een plicht, en egoïsme een zonde. Amen.  

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *