Respect voor de schepping

Ignis

Lisette Van der Wel  

De wereld als levende icoon

Duurzaamheid en klimaatverandering vormen uiteindelijk vooral een moreel en spiritueel vraagstuk, betoogt Lisette van der Wel. Zij gaat te rade bij de ecologische wijsheid van het oosters-orthodoxe christendom.

Over dat oosters-orthodoxe christendom wil ik toch eerst even kwijt dat het naast zijn liturgische rijkdom en de ecologische spiritualiteit ook wel iets mist: het is te weinig gericht op dat andere element in het christendom: het sociale. Om het kort samen te vatten: zaken zoals de sociale leer van de katholieke kerk, Rerum Novarum, liggen totaal buiten het denkkader van dit christendom.

Ik hoef het niet helemaal of zelfs helemaal niet eens te zijn met die katholieke visie om ze toch te waarderen als een bijdrage om een essentieel element van het christendom “bij de tijd te brengen”.

Maar dat Westerse christendom heeft dus wel de ecologische kant, het respect voor de schepping, de idee van het rentmeesterschap uit het oog verloren.

Van de ene kant wil ik dat begrijpen, want in de evangelies en in de Handelingen van de Apostelen is dat thema niet uitdrukkelijk aanwezig.

Van de andere kant zou je ook kunnen zeggen dat het in die kernteksten niet zo duidelijk wordt aangehaald omdat het waarschijnlijk voor die eerste christenen een evidentie was, want die christenen waren nog fel getekend door het Oude Testament en zeker ook door het scheppingsverhaal.

Ik ben geen specialist en dus is dit speculatie. Maar ik acht het mogelijk dat dit thema bij de opvolgers van die eerste christenen minder aanwezig was omdat deze opvolgers nu eenmaal geen Joden meer waren.

Ik denk niet dat de Romeinen die zich tot het christendom bekeerden vanuit hun Romeinse culturele achtergrond veel respect hadden voor de schepping.

Maar in ieder geval is het scheppingsverhaal van de bijbel, gevolgd door het verhaal van het aards paradijs wél een mooie inspiratie. 

Ecologisten van tegenwoordig voelen zich heel wat omdat ze de zorg om de planeet ontdekt hebben. Ze kunnen hoogstens zeggen dat ze die herontdekt hebben, want ze komt al aan bod in een tekst van de 6e eeuw voor Christus. Als de mensheid die oude bijbelse teksten wat ernstiger had genomen, zouden we nu niet met een klimaatprobleem zitten.

Maar ja, we moesten ons bezig houden met de vraag of het allemaal wel echt gebeurd was. De wetenschap heeft er zich meester van gemaakt, en toen was het om zeep. Dat zo iets als een katholieke kerk hardnekkig aan de historische waarheid vast heeft gehouden tot en met hilarische verklaringen voor de onzin er van, heeft er natuurlijk ook geen goed aan gedaan.

Het scheppingsverhaal leert ons dat we in de schepping God kunnen ontmoeten. Dat stelt natuurlijk de vraag waarover we het hebben als we het woord God gebruiken. Maar juist op die vraag geeft het scheppingsverhaal een antwoord.

Als we in de schepping God kunnen ontmoeten, dan zegt dat iets over God. Rechtuit gezegd: buiten wat Jezus er daar bij over zegt, weten we eigenlijk niets over God.

Wat zegt de schepping ons over God ?

De primitieve godsdienstige oermens in zijn grot zag goden in alles waar hij schrik van had en geen vat op kon krijgen: donder en bliksem, de nacht… natuurverschijnselen.

Natuurlijk ontmoeten wij God niet meer in allerlei natuurverschijnselen, hoe schrikwekkend, of mooi ze ook kunnen zijn. Niet in donder of bliksem, ook niet in een bloem of een knuffelboom. We ontmoeten God in de schepping als geheel en dan gaat het over iets wat ons begrip te boven gaat, iets wat ons overstijgt. Het gaat over transcendentie. Het woord God is gewoon een naam voor transcendentie.

In het scheppingsverhaal komt er een zinnetje geregeld terug. Dat wijst er op dat de auteur dat belangrijk vond: “en God zag dat het goed was”. 

Ik vertaal dat zinnetje graag als “… het heeft zin”. De schepping en ons bestaan binnen de schepping heeft zin.

In feite spreekt hier een fundamenteel en onverwoestbaar optimisme: wat er ook gebeurt – de natuur kan ook onheil brengen – ons bestaan heeft zin. Wij maken deel uit van een groter geheel dat zin heeft. Natuurlijk kunnen wij die zin niet helemaal snappen. Anders zou het geheel niet groter zijn, maar dat is de boodschap van het scheppingsverhaal: het zijn en ons bestaan zijn zinvol.

Natuurlijk gebeurt er in elk leven van alles wat kan doen twijfelen aan die zin, maar dan komt God in beeld en roept ons toe: en toch, doorheen zinloosheid schemert zin. Achter de wolken schijnt de zon.

In die schepping heeft de mens dus zijn plaats. Het verhaal van het aards paradijs duidt die plaats aan: “… en God plaatste de mens in de tuin van Eden om die te bewaken en te bewerken…” Dit is een verhalende manier om het rentmeesterschap aan te geven. 

De rentmeester is niet de eigenaar. De schepping, de planeet is niet onze eigendom. We doen er niet mee wat we willen.

De schepping heeft zin, en dus hebben wij ons tegenover die schepping in die zin te gedragen. Wat zin heeft, heeft recht op respect.

Ja, de rentmeester beheert ook: hij heeft de opdracht om wat hem is toevertrouwd dienstbaar te maken en te laten opbrengen. Maar – en daar schort het aan bij de hedendaagse narcistische mens: ook als de mens de aarde aan zich dienstbaar maakt, moet dit met respect gebeuren. Gewoon omwille van de aarde zelf.

Dàt is wat ontbreekt bij veel klimaat- en milieu-inspanningen: intentioneel zijn ze enkel gericht op het nut voor de mens en niet ingegeven door dat fundamenteel respect.

De moderne mens kan nog veel leren van de wijsheid van de gelovigen van eeuwen geleden.

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.