Vrede in het eigen hart

In mijn blog van vorige zondag stelde ik  dat vrede in de wereld begint met vrede in het eigen hart. 

Ik krijg nu de vraag of ik daar wat dieper kan op ingaan ? Ja, dat kan ik 🙂

Ik stelde ook dat die vrede niet volstaat. Er is meer nodig om tot wereldvrede te komen. Tegelijkertijd is de vrede in het eigen hart wel een noodzakelijke voorwaarde.

In een evangelisch geïnspireerde visie is die vrede in het eigen hart ten gronde geen prestatie. Ze ontstaat door geloof en is op die manier iets wat we ”krijgen”.

Deze basishouding is essentieel, maar tegelijkertijd kunnen en moeten we er natuurlijk wel ook nog zelf iets aan doen.

Ik stamp een open deur in: vrede in het eigen hart begint met aanvaarding van zichzelf. Maar die aanvaarding ontaardt in narcisme als ze niet tegelijkertijd zichzelf ziet als iemand die niet af is. Je kan jezelf zien als een bundel mogelijkheden die je kan ontwikkelen. Zichzelf zijn is dan de aanvaarding van de mogelijkheden gelijk ze zijn met tegelijkertijd de wil om ze te ontwikkelen. Een gelovige zal nu denken aan de parabel van de talenten, althans in zijn algemeen aanvaarde interpretatie.

Ik aanvaard mezelf dus met de mogelijkheden die ik heb en met de mogelijkheden die ik niet heb, maar dan moet ik met die mogelijkheden wel aan het werk om mezelf te vormen.

Voor vrede in het eigen hart is het wel essentieel dat ik mijn mogelijkheden ontwikkel, niet voor mezelf, maar om iets te kunnen betekenen voor anderen, voor de samenleving, en, als je wil: voor God.

Ik studeer niet voor ingenieur omdat ik daarmee garantie heb op een goed loon, maar wel omdat ik dan bruggen kan bouwen. En die bruggen bouw ik niet om geroemd te worden voor de schitterende bruggen die ik heb gebouwd, maar omdat die bruggen bijdragen tot welstand en tot het goede leven van de mensen.

Vrede in het eigen hart veronderstelt ook een vorm van innerlijke vrijheid. De vrijheid die me toe laat om goed te doen en te beminnen. In ieder mens  zit egocentrisme, egoïsme, narcisme …

Ze zijn belemmeringen om lief te hebben. Voor wie wil liefhebben zijn ze een vorm van onvrijheid. Echte vrijheid is niet zo maar je eigen goesting kunnen doen, maar wel de overwinning op egocentrisme … en de bereidheid en bekwaamheid om lief te hebben.

Natuurlijk mag ik genieten van de aangename dingen des levens; maar ik moet ook bekwaam zijn om dat aangenaams aan mij te laten voorbijgaan als het een hindernis is om een ander te helpen.

Natuurlijk mag ik trots zijn als ik iets gepresteerd heb, maar die trots mag er niet toe leiden dat ik mezelf boven een ander stel.

Aanvaarding van mezelf betekent ”harmonie” met mezelf. Innerlijke vrijheid is een noodzakelijke voorwaarde voor harmonie met de anderen.

Ze is geen voldoende voorwaarde, want harmonie met de andere veronderstelt dat ook de andere streeft naar die harmonie, en dat kan ik niet afdwingen. Maar dat de andere de harmonie weigert, mag voor mij geen reden zijn om niet te werken aan mijn innerlijke vrijheid. En – om het eenvoudig te zeggen – dikwijls kan je een beetje vriendelijkheid opwekken door zelf vriendelijk te zijn. Of andersom: als je zelf niet vriendelijk bent, moet je niet verwachten dat de andere vriendelijk is.

Vrede in het eigen hart veronderstelt ook harmonie met God.

Het besef van mijn kleinheid als schepsel dat samengaat met het geloof dat ik zelfs in mijn kleinheid iets beteken, juist omdat ik geschapen ben. En dat ik dus iets beteken ook al lijkt het alsof dat niet zo is; ook als ik een mislukking beleef; ook als anderen me onbetekenend vinden. Want dat ik iets beteken in deze zin is niet het gevolg van mijn presteren of van de waardering van anderen, het is iets wat ik gekregen heb, gelijk ik het leven gekregen heb.

Om vrede in mijn eigen hart te kennen is het belangrijk om dat besef van kleinheid en dat geloof dat ik iets beteken, te cultiveren.

Dat besef en dat geloof zijn niet evident. In ons leven botsen we voortdurend op gevoelens, ervaringen, die het moeilijk maken of afbreken. Het vraagt de ontwikkeling van een spiritualiteit door geregelde bezinning, maar ook door rituelen, waarbij rituelen in een (kerkelijke) gemeenschap misschien wel noodzakelijk zijn.

Totale innerlijke vrede is voor een mens niet mogelijk. Wij zijn God niet. We kunnen er wel naar streven. Maar dat streven zal vruchteloos zijn zonder geloof, zonder het besef dat we zonder ”God” in ons leven niet volledig zijn; niet h-éél zijn, niet  h-eil-ig zijn.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *