Vraag en u zal gegeven worden

Vraag en u zal gegeven worden; zoek en gij zult vinden; klop en er zal worden opengedaan. (Mt. 7,7)

Toen ik nog jong was (mooi ben ik nog altijd), was het smeekgebed de gewoonste zaak van de wereld.

Als goed weer belangrijk was, brachten mensen eieren naar de clarissen. Ze legden die dan buiten aan de poort van het klooster, want bij de clarissen geraak je niet zo maar binnen. Ik heb dat altijd raar gevonden, want niet iedere gemeente heeft clarissen, maar heeft niet iedereen evenveel recht op goed weer ?

Eieren of niet, dikwijls was het dan toch slecht weer. Ja maar, zegden de mensen dan: ze hebben te weinig eieren naar de clarissen gedragen !

Zo droegen de avond voor Rerum Novarum de katholieken ook altijd eieren naar de clarissen. De socialisten lachten met ons, want op 1 mei was het heel dikwijls goed weer en op Rerum Novarum van de katholieken regende het dikwijls dat het goot. De katholieken wisten niet dat de socialisten die eieren dan gingen pikken voor het nonneke ze had binnengehaald.

Thuis hadden we een beeld van de Heiige Antonius; die van Padua. Je hebt ook die van Egypte, die met zijn varken, maar daar hadden we geen beeld van want die moest je aanroepen als je het varken had uitgehangen. Bij ons hing niemand het varken uit. 

Die van Padua dus; die moest je aanroepen als je iets verloren was; bijvoorbeeld als je niet meer wist waar je je sleutels had gelegd. Dan moest je een noveen doen: negen dagen lang iedere dag bidden voor het beeld van de heilige. En wonder boven wonder: meestal vond je je sleutels al terug voor die negen dagen voorbij waren. Dan ontstond altijd opnieuw de discussie of je dan de noveen nog moest “uit doen”. Mijn vader vond het allemaal maar kwatch. Als je negen dagen lang zoekt, is er veel kans dat je het terug vindt. Maar toch: soms vond je het verloren voorwerp zelfs na negen dagen niet meer terug. Dan zegde mijn moeder tegen mijn vader: ziet ge wel ! En dan werd het beeld van de niet zo ijverige heilige gelijk een stout kind in de hoek gezet. Dikwijls werd het verlorene de dag daarna al teruggevonden. Ik vond en vind dat allemaal toch verwonderlijk. Waarom zetten ze dan die heilige niet de eerste dag al in de hoek ?

Mijn broer vond het niet verwonderlijk. Die heeft een intens religieuze periode gekend in zijn puberteit. Hij bad toen iedere dag tot de heilige Rita, patrones van de hopeloze zaken dat ze er alstublieft toch maar voor zou zorgen dat Greetje van de buren zijn lief zou willen worden. Maar Greetje koos voor Ulrik de schele met x-benen. Hoe dat kon begreep niemand. Als Rita zelfs zo’ n gemakkelijk probleem niet kon oplossen … Sinds toen heeft mijn broer een kerk enkel nog van binnen gezien voor een paar begrafenissen.

Het is de oude discussie: als God almachtig is, is hij niet goed omdat hij zoveel onheil laat gebeuren. Als god goed is, is hij dus niet almachtig. En waarvoor hebben we hem dan nodig ? Dan kan hij er even goed niet zijn.

Voor veel mensen – zoals mijn broer – beperkt hun godsbeeld zich tot dat van de Probleemoplosser, Ombudsman, Touring Wegenhulp. Ze denken slechts aan God als ze hem nodig hebben.

De pastoors hebben dan allerlei denkconstructies ontwikkeld om toch maar de falende Probleemoplosser te verzoenen met de Almachtige, want almachtig moét God toch zijn.

Zo heeft een Jezuïet tijdens een retraite ons eens voorgehouden dat God niet altijd geeft wat wij hem vragen omdat hij als Alwetende beter weet wat we nodig hebben en wat goed is voor ons, dan wijzelf. Wij moeten dan maar ons leven onder de loep nemen en zoeken wat wij van God in de plaats hebben gekregen van wat we gevraagd hebben. Als we niets vinden, is dat natuurlijk omdat wij niet alwetend zijn.

De verering van de heiligen was natuurlijk in dat opzicht geniaal: je denkt toch niet dat God zich kan bezig houden met jouw verloren sleutels. Voor de meer banale dingen richt je je dan tot een heilige. Dat die er niet in slaagt om altijd te gebed te verhoren, is normaal. Een heilige is tenslotte niet almachtig.

Je kan de zaak ook ver-spiritualiseren. Je hebt God dan niet meer nodig voor allerlei “wereldse” zaken, maar je hebt hem wel nodig als “kracht” om goed te zijn. Hij geeft je de kracht om moeilijkheden in je leven te overwinnen. Als je dat doortrekt naar de God die Liefde is: de kracht om in moeilijke omstandigheden de liefde te blijven beleven.

Dat werkt natuurlijk, want als je er zo van doordrongen bent dat je de liefde moet beleven dat je die kracht aan God vraagt, betekent dit dat je al een grote innerlijke motivatie hebt. Maar of dat echt wijst op het bestaan van die krachtgevende God is een andere zaak, want vanwaar komt dan die innerlijke motivatie die er al is ?

Misschien moeten we het allemaal achter ons durven laten: de God probleemoplosser, de God die het beter weet, de God Krachtgever … kortom de God die we nodig hebben.

Misschien moeten we de stap kunnen zetten van een God waar ik niet zonder kan, naar een God waar ik niet zonder wil. Ik kan perfect zonder God, maar ik wil niet zonder Hem.

Maar ondertussen is het smeekgebed er zo lang al de mens er is. Iets wat zo lang stand houdt, moet toch ook iets hebben wat het de moeite waard maakt ? Mijn ouders zagen natuurlijk ook wel de “absurdigheden” in van hun devotie. Toch hielden ze er aan vast.

“Vraag en u zal gegeven worden; zoek en gij zult vinden; klop en er zal worden opengedaan.” (Mt. 7,7)

Er zijn twee belangrijke elementen in dit zinnetje.

“u zal gegeven worden”: het drukt vertrouwen uit – bant wanhoop – ook verzoening met wat ons overkomt. Het klinkt raar: een geloof dat ook in lijden een vorm van geluk mogelijk is. Denk aan mensen die sterven, verzoend met de dood.

Maar de essentie is “Vraag”. Want wie vraagt erkent onmacht.

Er staat niet “Vraag iets”. Er staat enkel: vraag.

Vragen betekent erkenning van afhankelijkheid, onmacht, kleinheid.

Het vragen gebeurt hier in een verband met God, niet de God van de ik-gerichte mens die vraagt voor zichzelf, maar de God die ontstaat in mijn besef van kleinheid, onbelangrijkheid. Het besef dat ik slechts een deeltje ben dat niets betekent tenzij wanneer het is opgenomen in het grote geheel. Het gaat om het geheel, niet om mij. Maar dikwijls ben ik zo bezig met mezelf dat ik me onbekwaam voel om een deeltje te zijn.

Mag ik deze blog besluiten met een kort gebed ?

God, geef me de kracht om te vragen. 🙂

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *