Ik heb in mijn leven vele weduwen gekend. Dat was in de tijd dat alleen de mannen werkten en de vrouwen dus langer leefden. Sommigen van die weduwen zijn nooit hertrouwd en waren altijd in het zwart gekleed om aan de geile mannen het signaal te geven dat ze niet beschikbaar waren. Maar er waren er ook andere, vooral Oostenrijkse, die graag lustig waren. Franz Lehar heeft er een operette over geschreven.
Hij leerde hun in een gelijkenis dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen. Hij zei: ‘Er was eens in een zekere stad een rechter, die zich om God noch gebod bekommerde. Er was ook een weduwe in die stad die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek: Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander. Een tijdlang wilde hij niet, maar daarna zei hij bij zichzelf: Al bekommer ik mij om God noch gebod, toch zal ik die weduwe recht verschaffen om niet langer geplaagd te worden door haar eindeloze bezoeken.’ En de Heer sprak: ‘Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt! Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen en naar wie Hij genadig luistert? Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen. Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?”
Lucas 18, 1-8
Over welke soort van weduwe Jezus het hier heeft is niet duidelijk. Misschien was deze weduwe helemaal niet lustig, maar zeker is wel dat ze op haar strepen durfde staan.
Je ziet het niet in onze vertalingen, maar in de oorspronkelijke tekst staat letterlijk dat de rechter toegeeft omdat hij schrik heeft dat ze hem een blauw oog gaat slaan.
Maar daar gaat het niet over.
In zowat alle commentaren die ik lees over deze pericope gaat het over de volharding waarmee deze weduwe opkomt voor haar recht. Dat wordt dan als voorbeeld gesteld voor ons. Het moet ons aanzetten. om met volharding te bidden om van God te bekomen waar we recht op hebben.
In Rome was er een priestergemeenschap die ”de hemel bestormd heeft”. Iemand van de club was een mooie, intelligente, lieve dame tegengekomen die hem in haar klauwen had gekregen. Voor priesters zijn mooie, intelligente, lieve dames vermommingen van de satan. De sukkelaar wilde uittreden en zou dus zeker in de hel terecht komen. Zijn broeders in de Heer waren tot alles bereid om hem daarvan redden en hebben een soort van gebed-estafette georganiseerd. Ze losten mekaar af voor het altaar in een kerk om daar te bidden voor de bevrijding van de ongelukkige, met het vaste voornemen om vol te houden tot hij verlost was van de vrouwelijke verleiding. Weken lang hebben zij God lastig gevallen. Tenslotte hebben ze het toch opgegeven. De vrouw en de appel waren sterker. Ze hebben het slachtoffer dan verstoten en zich getroost met de overweging dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn en God recht kan schrijven op kromme lijnen.
In mijn kindertijd baden we af en toe een noveen: een bepaald gebed dat negen dagen lang iedere dag moest opgezegd worden. Als kind mochten we niet weten wat er moest bekomen worden, maar we moesten wel meebidden. Ook die volksdevotie is een vorm van volhardend gebed. Ook novenen liepen geregeld uit op grote ontgoochelingen.
Voor mijn part stel je nu dat het dan wel niet zal gegaan zijn om iets waar de gelovige recht op had, maar zelfs dan blijft het verbazend dat de goede God zo karig is met het verlenen van gunsten en gelukkig maken van zijn ”onderdanen”.
Dat hele gedoe van de hemelbestormers leidt enkel tot het beeld van een God die volhardender dan de onrechtvaardige rechter is in het weigeren van recht aan zijn gelovigen. Dat kan niet de bedoeling zijn.
Tegenover die onrechtvaardige rechter stelt Jezus het beeld van God, de wel rechtvaardige rechter, het gangbare godsbeeld bij zijn toehoorders, die God zagen als iemand die hen beoordeelde op het navolgen van zijn wet. Maar plots zegt Jezus iets wat totaal niet past in dat verhaal van die rechters: ”Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” Hij heeft het over het geloof.
Het geloof gaat niet over ”iets” geloven, over geloven dat iets waar is, maar het gaat hier over in iemand geloven, over vertrouwen stellen in iemand.
Daarmee ondergraaft Jezus het beeld van de rechtvaardige rechter, want als de rechter rechtvaardig is, moet je geen vertrouwen stellen in hem. Dan krijg je waar je recht op hebt ook zonder dat je in die rechter gelooft.
Jezus wijst op de kern van zijn boodschap waarin hij het beeld van de rechtvaardige rechter vervangt door dat van de Goede Vader die aan zijn verlopen zoon zelfs geeft waar hij geen recht op heeft, wanneer die zoon vertrouwen in Hem stelt. De Goede Vader wordt niet gedreven door gerechtigheid, maar door Liefde, tot ongenoegen van zijn andere brave, plichtbewuste zoon die dit niet rechtvaardig vindt.
”Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden ?”
Er is ook het element: bij zijn komst. Voor de Joden toen, ging het over de komst van de Mensenzoon voor het laatste oordeel. Maar als christen mag ik daarbij zeker ook denken aan Kerstmis, God die in de persoon van Jezus op aarde komt.
Binnenkort is het Kerstmis. Het is altijd Kerstmis.
De kern van het verhaal bij de hemelbestormers is de vraag of God ingrijpt in de gebeurtenissen op ons kosmologisch niemendalletje. Blijkbaar doet hij dat niet. En toch is hij er bij, hier op aarde.
Onze God is geen God in een verre hemel die niets met ons vandoen heeft.
Maar dan komt weer de vraag: als de Mensenzoon op aarde komt, zal hij dan geloof vinden ?
Dat op aarde komen hangt samen met geloof. Zonder ons geloof betekent die komst niets.
Geloven in God – de Goede Vader/Jezus – betekent: vertrouwen hebben in de Liefde, niet zo maar de Liefde in de hemel, maar ook de Liefde, hier op aarde; de Liefde die wij beleven. Dat is de weg van boven naar beneden. Je kan die weg ook andersom zien: in de Liefde overstijgt de mens zichzelf.
Geloven wij in de kracht van de Liefde ?
Ah ja, want als we daar niet in geloven, kunnen we niet liefhebben.
De volharding komt dan neer op volharden in onze poging om Lief te hebben, ook in een wereld waarin onrechtvaardige rechters de plak zwaaien.