Jezus heeft het graag over een vader met twee zonen. De oudste, braaf, volgzaam, niets op aan te merken. De jongste, een rebel, hopeloos geval … Iedereen prijst de vader gelukkig met de oudste en heeft medelijden met de man omwille van die jongste waarmee niets valt aan te vangen.
Maar dan worden de rollen omgedraaid. Schone schijn wordt ontmaskerd en de vader zou geen vader zijn als hij in de jongste niet ook het goede zou zien …
In die tijd zei Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: ‘Wat denkt ge van het volgende? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Goed vader – antwoordde deze – maar hij deed het niet. Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde. Deze antwoordde: Neen, ik wil niet; maar later kreeg hij spijt en ging toch. Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?’ Zij antwoordden: ‘De laatste’. Toen zei Jezus hun: ‘Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen. Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid; toch hebt gij hem geen geloof geschonken, terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen hem wel geloof schonken. Maar zelfs nadat ge dit hadt gezien, zijt ge toch niet tot inkeer gekomen en hebt ge hem geen geloof geschonken.’ (Mt. 21, 28-32)
Het verhaal van de twee zonen lijkt banaal. Het antwoord op de vraag is overduidelijk.
Waarom krijgt dit verhaal dan toch aandacht in deze blijde boodschap ?
Belangrijk om het te begrijpen is de eerste zin: het is gericht naar de hogepriesters en, zeg maar, de Farizeeën, de klasse die zichzelf verheven voelt boven de tollenaars (collaborerende, gehate, belastingontvangers in dienst van de Romeinen) en ontuchtige vrouwen, en alle andere zondige gebroed. Jezus richt zich tot de ”deftigen”of dan toch zij die van zichzelf denken dat ze deftig zijn. Maar zijn ze ook ”deftig” in de ogen van God ?
De Johannes waarvan sprake is Johannes de Doper, evenals Jezus een profeet die wel wat volk trok met zijn doopritueel in de Jordaan.
De doop begint met een besef van zondigheid; het besef van mislukking; van juist niet deftig te zijn. De onderdompeling in het water – verdrinking – verbeeldt een sterven, een afsterven van zichzelf, een zichzelf loslaten … juist wat iemand die zichzelf deftig vindt, niet kan. Enkel na het onder gaan, kan de mens door het water gezuiverd terug boven komen. Je kan moeilijk gered worden als je niet eerst aan het verzuipen waart.
Natuurlijk had Johannes de Doper geen succes bij de hogepriesters en Farizeeën. Zij hadden geen doop nodig, want zij waren toch ”deftig” ?
Zowel Johannes als Jezus vonden de hogepriesters en Farizeeën niet sympathiek. Johannes noemt ze adderengebroed. Jezus heeft het over witgekalkte graven, mooi van buiten, maar vol rottigheid van binnen.
Die afkeer van Jezus is een steeds wederkerend thema in de evangelies.
Die afkeer vindt zijn oorzaak in een diep begrijpen dat leidt tot een voorkeur. De voorkeur voor de mensen die het niet allemaal perfect doen; de mensen die het misschien wel goed bedoelen, maar toch mislukken; de zondaars … de mensen die het eerlijk proberen.
Merk op dat je pas zondaar bent als je je mislukken erkent; als je een vorm van spijt hebt, en je je voorneemt om het voortaan beter te doen …
Je kan dus ook een mislukkeling zijn, zonder zondaar te zijn.
We zijn allemaal mislukkelingen. Ja, ook jij, door iedereen aanzien als gelukt in het leven met je succes in je carrière, je dik betaalde job, je zwembad en je mooie vrouw met decapotabel en kinderen die het toch zo goed doen op school … Let op de volgorde.
Ik gun je je succes, maar als je je bij de deftigen schaart en niet meer beseft dat ook jij slechts een kleine mens bent met zijn zwakheden en denkt dat je geen nood hebt aan vergeving, ben je zelfs minder dan een zondaar.
Zondaars komen in de hemel, zelfs als ze nooit lukken, als ze het maar oprecht blijven proberen. Deftigen komen in de hel. (Voor wie het ondanks mijn blogs nog altijd niet begrepen heeft: hemel en hel zijn mythologische taal.)
Zondaars aanvaarden het doopsel. Deftigen denken. dat ze geen doopsel nodig hebben.
Allez vooruit: allemaal op zoek naar een Johannes en een Jordaan.
Het besef van zondigheid vindt zijn diepste oorsprong in het aanvaarden van de transcendentie: zelfs als ik alles goed zou doen, blijf ik een totaal op zich onbetekenend deeltje van het grote geheel van de schepping.
Dat betekent niet dat ik onbetekenend ben. Maar mijn betekenis komt niet uit mezelf, maar ik krijg ze, juist doordat ik mezelf onbetekenend wetend, toch aanvaard om deeltje te zijn.
En neen, ik moet geen perfect passend deeltje zijn, maar als ik echt aanvaard om een deeltje te zijn, moet ik wel proberen om te passen. Vandaar de spijt als ik misluk in het perfect deeltje zijn.
Dat is het beeld dat de tweede zoon geeft: hij is duidelijk een deeltje dat niet past. Misschien is hij nog puberend ? Of gewoon als dwarsligger geboren ? Iemand die op zijn achterste poten gaat staan als hij een bevel krijgt ? Of gewoon een beetje lui ?
Hij wil niet, maar hij is niet van slechte wil. En dus krijgt hij spijt. Daar wordt hij zondaar.
Daar vervoegt hij de groep mensen waar Jezus een voorkeur voor heeft. Hij noemt al maar dadelijk de tollenaars en de vrouwen die ”vreemd” gaan. De mannen die vreemd gaan, noemt hij er niet bij – in zijn tijd waren ze nog niet zo ver, maar nu zou hij dat zeker wél doen. Ik ben benieuwd wie Jezus in deze tijd er ook nog zou bij gezet hebben.
Neen, ik ga jullie hier niet vertellen waar ik tekortgeschoten ben. Maar ik kan wel zeggen dat ik blij ben met die boodschap van Jezus.
De wereld kan mij afrekenen op mijn falen, en daar kan ik onder lijden. De wereld kan mijn daden veroordelen, en dat moet ik aanvaarden. Maar hij kan niet mij veroordelen. Ik blijf iemand die het waard is om bemind te worden.
Als ik maar niet de deftige wil uithangen.