
Bij Allerzielen horen chrysanten. Je kan die bloemen in allerlei kleuren krijgen, maar de échte chrysant is goudgeel. De naam is een samenstelling van twee Oudgriekse woorden: chrusos en anthemom: goud en bloem.
Ok, ik heb dat ook maar van wikipedia, maar het geeft wel betekenis. In nog al wat culturen wordt de chrysant in verband gebracht met de dood, de overledenen. In Japan is de bloem symbool van het eeuwige leven.
Raar: veel mensen die beweren dat er niets meer is na het sterven, houden wel aan de herinnering van hun overledenen. De overledene leeft voort in hun hart. Dat betekent op zijn minst dat ze toch wel verlangen naar iets na het overlijden.
Misschien is het geloof in iets na de dood op zich wel niet zo belangrijk. Misschien gaat het om het erkennen van het verlangen naar dat iets. Misschien moeten we juist dat verlangen cultiveren.
Chrysanten kunnen daarbij helpen.
Verlangen naar iets na het sterven is niet hetzelfde als verlangen naar onsterfelijkheid. Zelfs als je niet hoogbegaafd bent, moet je niet lang nadenken om deze logica in te zien.
Natuurlijk staat sterven niet op mijn tot do lijstje, maar van de andere kant denk ik dat gelukkiger leef als ik sterven aanvaard als deel van het leven; sterven als overgang naar de dood.
Ik heb hier tot nu toe met opzet niet de uitdrukking ”leven na de dood” gebruikt. Dood zijn is juist de toestand van iets na het sterven. En misschien moeten we het woord leven voorbehouden voor ons bestaan tussen geboorte en sterven. Misschien is juist dood zijn de vorm van ”eeuwig leven” ?
Misschien is er zelfs iets al voor we op de wereld geworpen worden ?
Vraagteken !
Het zijn vragen en bedenkingen waarop we met rationaliteit en nog minder met wetenschappelijk denken een antwoord kunnen vinden. Maar, asjeblieft, zeg nu niet dat ze dus niet relevant zijn.
Het besef van de transcendentie, van mijn bestaan als minuscuul deeltje van een oneindig groter geheel (neen dat geheel is op zich niet God ! Maar dat is voer voor een andere trog) brengt wel het besef mee dat mijn leven hier en nu betekenis heeft voor de eeuwigheid. Ik ben slechts een klein baksteentje in een enorm groot paleis. Ik ben niet onmisbaar. Ik ben vervangbaar. Maar nu ben ik wel deel van dat grote geheel en dus beteken ik iets. En als ik er niet meer ben, blijft wel nog dat iets betekend heb. Nooit zal verdwijnen dat ik er geweest ben en heb bijgedragen.
Het besef van transcendentie brengt me tot grote nederigheid, maar tegelijkertijd ook tot een belangrijk besef: ik mag er zijn en ik beteken iets.
Zowel die nederigheid als het besef iets te betekenen helpen me om om te gaan met mijn sterfelijkheid.
Aan de basis ligt dus de gevoeligheid voor transcendentie. Die is niet evident; zeker niet voor de hedendaagse mens met zijn wetenschappelijk denken, zijn materialisme, zijn atheïsme dat ontspoort in nihilisme en narcisme.
Gevoeligheid voor transcendentie moet gecultiveerd worden.
Met andere woorden: als je niet geregeld bewust actief het besef van transcendentie activeert, verlies je het.
Als ik het heb over transcendentie hanteer ik filosofische taal. Ik denk dat dat nodig is. Maar ik denk ook dat de mythologische taal veel rijker is. Als we transcendentie vervangen door ”God” met het daarbij horende antropomorfisme en de verpersoonlijking, komt het verhaal ons veel meer nabij. Het antropomorfisme maakt alles ”menselijker”. Het rationele wordt aangevuld – voor mijn part vervangen – door diepere menselijkheid. Er komt plaats voor emoties en innerlijk leven.
Laat ons dus maar bidden voor onze overledenen; een kaarsje branden; een goud bloem op hun graf zetten … Hun namen zijn voor eeuwig geschreven in de palm van Gods hand (Jesaja 49, 16).
Een van de manieren om het besef van transcendentie te cultiveren is het bewust beleven van stilte.
Het is niet toevallig dat kerken plekken van stilte zijn.
Ook kerkhoven zijn dat.
Je kan stilte omschrijven als afwezigheid van geluid.
Afwezigheid van geluid op het fysische vlak: omgevingsgeluiden, stadslawaai …
Maar ook innerlijke afwezigheid van geluid; afwezigheid van oppervlakkigheden van het leven, maar ook van allerlei sterke belevingen die gekenmerkt worden door ik-betrokkenheid, tot en met de beleving van de liefde.
Wij houden niet van de stilte en proberen onze geest voortdurend te vullen. Scherm- en foon verslaving zijn uitingen daarvan.
Stilte stopt het vullen en creëert leegte. Leegte creëert plaats voor het hogere dan wat natuurlijk bij ons leven hoort. Stilte creëert plaats voor ervaring van transcendentie.
Stilte hoort bij een kerkhof zoals het lege graf bij Jezus.
Koen Vanmechelen in het Belang van Limburg:
Het lijkt geen toeval dat leven overal hetzelfde doet. Het onderhoudt zichzelf in stilte. Overal en vaak door ons ongezien: ’s nachts, onder de waterspiegel, aan de andere kant van de maan. De tapir, de vis, de mot, de mens, het beerdiertje, allemaal dragers van iets wat groter is dan wijzelf. Zonder die overdracht verstilt de wereld.
En misschien is dat de diepste vraag die mij bezighoudt: wat is die onzichtbare kracht die ons doet geven, delen, dragen? Die ons iets laat achterlaten dat verder leeft, waar we ook gaan.